Wvggz 8:9


Uitspraak

Uitspraak Klachtencommissie Cliënten GGZ Delfland  

 

Inzake de klacht van  

 

De heer , klager  

 

tegen 

 

GGZ Delfland, gevestigd te Delft (verweerder) 

ten deze vertegenwoordigd door:  

De heer , psychiater 

 

 

De klacht is, in aanwezigheid van partijen, behandeld tijdens een hoorzitting op 28 februari 2024 in Schiedam.  

 

Namens de klachtencommissie waren aanwezig: 

de heer prof. mr. , voorzitter  

Mevrouw , psychiater en  

De heer , lid 

Ambtelijke ondersteuning werd verleend door mevrouw . 

Stukken 

  • Klaagschrift, 21 februari 2024 
  • Verweerschrift, 26 februari 2024 

 

Klager heeft toestemming verleend aan de klachtencommissie om zijn medisch dossier in te zien, indien en voor zover dat voor de beoordeling van de klacht relevant mocht worden geacht. Van deze mogelijkheid heeft de klachtencommissie gebruik gemaakt.  

Klacht
Het klaagschrift d.d. 21 februari 2024, opgesteld namens klager door mevrouw  (pvp), geeft aan, dat klager geen medicatie wenst te gebruiken. Hij voelt zich hiertoe evenwel verplicht. Er is geen beslissing verplichte zorg zoals bedoeld in artikel 8:9 lid 2 Wvggz opgemaakt en ter hand gesteld.   

 

Feiten 

Op 15 juni 2023 is er een zorgmachtiging afgegeven voor de duur van een jaar. In deze zorgmachtiging is opgenomen dat er verplichte zorg mag worden toegepast in de vorm van het toedienen van medicatie en het beperken van de bewegingsvrijheid. 

 

De klacht nader toegelicht 

 

  1. Medicatie

 

Klager vertelt dat hij een goede behandelrelatie met zijn behandelaar heeft; hij is vanaf 2017 bij zijn huidige behandelaar. Klager is tevreden met zijn behandelaar. Desalniettemin heeft klager besloten een klacht in te dienen omdat hij deze kans heeft gekregen. Klager benoemt dat hij zijn medicatie liever niet wil nemen, maar wel een behandeling zonder medicatie wenst. De medicatie is niet nodig want het gaat goed met klager, hij sport, werkt en volgt onderwijs. Hij leest boeken en is rustiger geworden. 

Klager voelt de noodzaak om te bewijzen dat hij zijn leven ook op een stabiele manier kan leiden zonder medicatie. Klager merkt dat hij niet meer droomt omdat hij medicatie inneemt; dat vindt hij vervelend. Zijn wens is om de medicatie af te bouwen en te kijken hoe het dan met hem gaat. Momenteel neemt klager zijn medicatie omdat in zijn woorden de rechter het zo heeft besloten. Maar de medicatie zorgt naar zijn mening niet voor een verbetering van zijn situatie. Zijn wens om te stoppen heeft hij niet eerder duidelijk bekend gemaakt bij zijn behandelaar. 

Voorheen kon klager agressief zijn maar dat is nu niet meer zo omdat hij meer levenservaring heeft opgebouwd. Klager wil proberen om zonder medicatie te functioneren. Klager gebruikt vanaf 2017 clozapine. Klager vindt dat verweerder zich teveel zorgen om hem maakt.   

 

De pvp vult aan dat klager wenst te stoppen met het gebruik van de medicatie maar  toch is doorgegaan met de medicatie, zonder dat hier een 8:9 beslissing voor is opgemaakt en uitgereikt aan klager. Er is geen sprake van vrijwilligheid want klager voelt het als een verplichting. Klager vindt dat de medicatie niet meer nodig is omdat hij rustiger is en wil proberen af te bouwen.  

 

Verweer 

 

Ad 1. Medicatie  

 

Verweerder geeft aan dat klager graag wil stoppen met blowen maar dat het op dit moment nog niet is gelukt om te stoppen. Begin februari 2024 is klager nog opgenomen geweest. In de kliniek is hij gestopt met blowen, maar zodra hij weer buiten komt gaat hij al snel weer blowen. Er is sprake van een hardnekkige verslaving. 

Als klager stopt met blowen is de medicatie net genoeg beschermend. Het evenwicht wordt verstoord door blowen. Er is met medicatie al geen sprake van absolute bescherming. Verweerder geeft aan dat de huidige medicatie de psychotische gedachten enigszins kan onderdrukken maar dat het eigenlijk al niet voldoende is. 

Behalve verslaving is er ook sprake van een trauma.  Klager neemt vrijwillig medicatie in. Verweerder geeft aan dat er geen situatie is geweest waarbij klager heeft aangegeven dat hij zijn medicatie niet wil nemen. Er is geen duidelijke vorm van verzet gezien. De klachtzitting is voor verweerder een eerste duidelijke aanwijzing voor verzet.  

Het minderen van medicatie ziet verweerder niet als een haalbare optie, het risico is te groot dat klager vervalt in onder andere agressief gedrag omdat er sprake is van een onderliggend trauma.  

Momenteel krijgt klager hiervoor een behandeling. Als deze behandeling effect heeft en het trauma is behandeld heeft kan er verder gekeken worden of er iets kan veranderen voor wat betreft medicatiegebruik. 

 

Verweerder vindt dat hij zorgvuldig heeft gehandeld en dat hij een goede behandelrelatie heeft met klager. Verweerder heeft niet gemerkt dat er een duidelijke vorm van verzet was bij het innemen van medicatie. De goede relatie staat voor verweerder voorop en deze relatie kun je het beste in stand houden zonder dwang toe te passen. Er was geen aanleiding een beslissing tot verplichte zorg te nemen en daar is zorgvuldig over nagedacht. Klager is niet gestopt met medicatie en heeft niet geweigerd. De klacht en zijn verzet zijn niet eerder bekend gemaakt aan behandelaar. Door middel van de klacht is hij op de hoogte gesteld. Als klager bij herhaling blijft aangeven dat hij niet wil en ook daadwerkelijk weigert zal er een beslissing verplichte zorg worden opgemaakt.   

Deze werkwijze is conform het beleid van GGZ Delfland waarbij zo veel mogelijk op vrijwillige basis wordt behandeld. Dwang wordt als laatste middel ingezet. Als we overgaan op dwangmedicatie betreft het vaak een injectie. Maar deze situatie heeft zich niet voorgedaan. 

 

Beoordeling 

Afgaande op het klaagschrift, de schriftelijke reactie op de klacht, hetgeen ter zitting door betrokkenen naar voren is gebracht en de relevante informatie uit het medisch dossier van klager, overweegt de klachtencommissie, met inachtneming van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), als volgt.  

 

Medicatie 

Wat betreft de medicatie is geen beslissing tot verplichte zorg genomen. Klager geeft aan dat de medicatie als verplicht wordt ervaren en dat er onterecht een art. 8:9 Wvggz beslissing ontbreekt. Verweerder ging er vanuit dat er sprake was van vrijwilligheid omdat klager zijn medicatie inneemt, en het voor verweerder onbekend was dat er sprake was van verzet. Deze veronderstelling was mede gebaseerd op de jarenlange goede behandelrelatie met klager. 

De werkwijze zoals uitgelegd door verweerder is te begrijpen, mede in aanmerking genomen de overtuiging van verweerder dat dwang een goede behandelrelatie kan verstoren. 

 

De commissie merkt op dat bij aanhoudend en herhaaldelijk weigeren van medicatie een moment komt waarop een beslissing verplichte zorg moet worden afgegeven.  

 

De klachtencommissie is van oordeel dat in de onderhavige kwestie vrijwilligheid verondersteld werd. De klacht over het ontbreken van een beslissing voor verplichte medicatie acht de klachtencommissie ongegrond. Als er geen kans is op verbetering of verandering in de wisselende bereidheid de medicatie te nemen moet overwogen worden om de beslissing alsnog aan te zeggen. Dan is de situatie voor klager helder en is er ook geen twijfel meer over het al dan niet ‘moeten’ nemen van medicatie.  

 

 

 

Beslissing: 

 

De klachtencommissie: 

 

Verklaart de klacht van de heer ongegrond.  

 

Deze beslissing is gegeven door mr. , voorzitter, drs. , psychiater, lid, en de heer , lid, op 28 februari 2024, bijgestaan door, mevrouw , ambtelijk secretaris. 

 

Deze uitspraak is op 11 maart 2024 op schrift aan betrokkenen toegestuurd.