wijziging verplichte medicatie


Uitspraak

Het verloop van de procedure

  • Klager heeft op 23 februari 2024 bij de klachtencommissie een klaagschrift ingediend;
  • Verweerder is in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen;
  • Het verweerschrift van verweerder is op 28 februari 2024 ontvangen en op 29 februari 2024 verstrekt aan klager;
  • De klacht betreft de beslissing van verweerder tot (wijziging van) verplichte zorg (verplichte medicatie), ex artikel 8.9 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Klager is vertegenwoordiger van betreffende cliënt en deze kan hierover klagen, conform artikel 10.3 Wvggz. Klager is ontvankelijk in haar klacht;
  • De klacht is behandeld op 1 maart 2024, waarbij klager en verweerder in persoon aanwezig waren. Cliënt was uitgenodigd maar is niet verschenen;
  • De commissie heeft de beslissing op schrift gesteld op 4 maart 2024;

Vaststaande feiten

1. Cliënt heeft een psychiatrische stoornis en is al vele jaren onder behandeling van psychiatrische instellingen. Hij verblijft al een jaar of 8 in XX. Hij verblijft daar nu met een zorgmachtiging. Hij heeft al die tijd in XX medicatie gekregen middels een depot. Verweerder is de zorgverantwoordelijke van cliënt sinds september 2023.

2. Cliënt heeft op 12 februari 2024 aan verweerder verzocht om de verplichte medicatie in orale vorm in te nemen. Verweerder heeft hiermee ingestemd.           Verweerder heeft dit op 15 februari 2024 aan klager -die curator is van cliënt- per mail medegedeeld.Op 18 februari 2024 heeft klager per mail aan                    verweerder medegedeeld, dat zij het er niet mee eens is. Zij heeft verweerder verweten dat zij daarover geen overleg met haar heeft gevoerd.

Op 19 februari 2024 heeft verweerder per mail uitleg gegeven aan klager, waarop klager per mail van 20 februari 2024 erin heeft volhard dat zij het er            niet mee eens is.

3. Met het toedienen van de medicatie in orale vorm is gestart op 19 februari 2024.                                                                                                              Verweerder heeft op 22 februari 2024 de beslissing ex art 8.9 Wvggz opgemaakt waarin staat dat voortaan de medicatie in orale vorm wordt toegediend in plaats van middels een depot. Er staat ook in, “Ik vind dat u niet goed op kunt komen voor uw belangen ten aanzien van de zorg die aan u gegeven wordt…..Curator is op de hoogte gesteld…..en is het niet eens met het besluit”.

 De standpunten

 1. Klager heeft de klacht ingediend, omdat verweerder heeft nagelaten overleg met haar te voeren. Klager is het niet eens met de wijziging van toedienen van de medicatie. Zij kent cliënt al vele jaren en zij is bang dat cliënt gaat smokkelen met de orale inname, waardoor cliënt weer psychotisch kan worden, wat veel stress gaat opleveren voor vele mensen. Klager had hierover tevoren willen overleggen met verweerder en deze argumenten willen inbrengen en toelichten.

2.Verweerder heeft aangevoerd, dat het geven van depots stress oplevert bij cliënt en dat deze zich ook regelmatig ertegen verzet. Bovendien heeft cliënt schade opgelopen in de bilspieren ten gevolge van het zetten van spuiten ten behoeve van de depots. Verweerder heeft met cliënt afspraken kunnen maken over het toedienen van orale medicatie. Zij is niet bang voor smokkelen, omdat er altijd verpleegkundigen bij zijn. Via controle van de bloedspiegel kan het proces in de gaten worden gehouden en kan er zo nodig weer overgestapt worden op het toedienen middels depots. Verweerder heeft hiertoe besloten, omdat medicatie innemen via orale vorm veel minder belastend is voor de cliënt. Zij had de inschatting gemaakt dat klager het hier mee eens zou zijn. Toen bleek dat klager het er mee oneens was, heeft verweerder alsnog de beslissing ex artikel 8.9 Wvggz uitgeschreven.

Overwegingen van de commissie

 1. Klager heeft als zorgverantwoordelijke de verantwoordelijkheid voor het toedienen van verplichte medicatie. Aan de verplichte toediening van de   medicatie middels depots zitten nadelen. In dit geval zijn twee nadelen genoemd:

  • het levert stress op bij cliënt en hij pleegt regelmatig verzet. Volgens de commissie is deze wijze van toediening nadelig voor zowel cliënt als voor de verpleging; en
  • cliënt heeft laesies in de bilspier opgelopen door de vele depots.

Orale toediening van medicatie -waar cliënt mee instemt- neemt voornoemde nadelen weg. Dus zonder tegenargumenten ligt zo’n wijziging van de toediening van de medicatie voor de hand.

2. De Wvggz schrijft voor, dat er overleg moet zijn tussen de   zorgverantwoordelijke en de vertegenwoordiger. Toch zeker als het gaat om dwangmedicatie en te meer als cliënt niet wilsbekwaam is. Dat overleg hoort plaats te vinden voorafgaand aan beslissingen ex artikel 8.9 Wvggz.Nu is het zo, dat verweerder al op 19 februari 2024 uitvoering heeft gegeven aan haar beslissing tot wijziging van de toediening van de medicatie, waarna er via de mail enige informatie-uitwisseling is gekomen tussen verweerder en klager over die wijziging. Dat zou als overleg gezien kunnen worden. En zo zou het standpunt kunnen worden ingenomen, dat het op schrift stellen van de 8.9-beslissing op 22 februari 2024 ná overleg met de vertegenwoordiger heeft plaatsgevonden. Echter, omdat er al eerder dan die 22ste februari 2024 uitvoering is gegeven aan de beslissing tot wijziging van het toedienen van de medicatie, namelijk op 19 februari 2024, is de klachtencommissie van oordeel, dat die eerdere datum moet worden aangehouden waarop de beslissing ex artikel 8.9 Wvggz is gegeven. En voorafgaand aan die beslissing is er geen, althans onvoldoende overleg geweest met de vertegenwoordiger. Dat overleg is belangrijk, omdat de vertegenwoordiger argumenten kan inbrengen, waardoor de wijziging van toediening van de medicatie juist niet meer zo voor de hand ligt. Dat maakt, dat klager er terecht over heeft geklaagd dat er een beslissing is genomen over de wijziging van verplichte toediening medicatie. De klacht zal om die reden gegrond worden verklaard.

3. De commissie geeft geen oordeel over de rechtmatigheid van de gewijzigde toediening van de medicatie, omdat de commissie in deze  procedure daar niet aan toekomt, nu de klacht al gegrond is vanwege het ontbreken van voldoende overleg.Toch wil de commissie wijzen op het volgende:

In de mailwisseling is te zien dat klager nogal fel van leer trekt tegen verweerder. En ook op de zitting was dat het geval. Klager verliest kennelijk uit het oog, dat de zorgverantwoordelijke een eigen verantwoordelijkheid heeft over de wijze van toedienen van medicatie. Zij moet goede zorg verlenen en allerlei belangen betrekken in haar afwegingen. Uiteraard ook de belangen die klager nu al naar voren heeft gebracht en eventuele andere belangen die in goed overleg kunnen worden ingebracht. Cliënt krijgt op de huidige locatie al 8 jaar lang depots. Het argument van klager dat cliënt kan smokkelen met orale medicatie moet dan gebaseerd zijn op een nog verder verleden. In de tussentijd kan er veel veranderd zijn. Zowel bij cliënt als bij overige omstandigheden, zoals het toezicht. Hiermee wil de klachtencommissie meegeven, dat -wil er sprake zijn van goed overleg- klager alle recht en gelegenheid moet hebben op het inbrengen van argumenten tégen orale toediening van medicatie, maar ook dat zij moet respecteren dat er argumenten zijn die vóór orale toediening pleiten. Niet de vertegenwoordiger heeft het recht om over de wijze van toedienen te beslissen, maar de zorgverantwoordelijke. En klager behoort die beslissing van de zorgverantwoordelijke te accepteren, tenzij duidelijk is, dat er geen sprake meer is van goede zorg.