Ongegronde medicatieklacht


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., ongedateerd, bij de Klachtencommissie binnengekomen op 4 april 2024, met nummer 2404-46

Datum: 15 april 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 15 april 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A. (hierna: klager) tegen B. (zorgaanbieder, hierna ook: verweerder), met nummer 2404-46.

De klacht gaat over het nakomen van een verplichting of over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

Aanwezig

Klager: de heer A.;
bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp).

Zorgaanbieder: Kliniek D., onderdeel van B., vertegenwoordigd door E., psychiater; namens de heer F., psychiater;
            G., begeleider van de afdeling; en
            H., waarnemend arts.

Stukken

De Klachtencommissie, hierna te noemen de Commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. de klacht, binnengekomen op 4 april 2024;
  2. de bijlage bij de klacht, binnengekomen op 8 april 2024;
  3. de reactie van verweerder, binnengekomen op 11 april 2024; en
  4. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klager.

Samenvatting

De klacht houdt in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot verplichte toediening van medicatie. Klager heeft ter zitting toegelicht dat zijn bezwaren zich richten tegen de verhoging van de dosering van de medicatie. Met de eerdere dosering was hij wel akkoord. Ter zitting heeft de Commissie met klager vastgesteld dat de klacht niet ziet op het kamerprogramma. De Commissie heeft genoteerd dat de zorgverantwoordelijke graag nog met klager in gesprek zou willen gaan over dat kamerprogramma en zou willen horen hoe klager dat ervaren heeft. Meer in het algemeen heeft de Commissie vastgesteld dat er sprake is van een betere samenwerking. De Commissie begrijpt dat klager wel een uitspraak wil van de Commissie over zijn klacht met betrekking tot de ophoging van de dosering van de medicatie.

De Commissie komt alles afwegende tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

Het verzoek van klager tot vergoeding van zijn schade wordt afgewezen.

De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken staat voor de Commissie het volgende vast. 

Uit de overhandigde stukken blijkt dat klager zou lijden aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofrenie bij een onderliggende autismespectrumstoornis. De rechter heeft vastgesteld dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstig lichamelijk letsel, de situatie dat klager met hinderlijk gedrag, agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Bij beschikking van 28 maart 2024 heeft de Rechtbank J. (hierna: de rechtbank) besloten voor klager een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel te verlenen voor de duur van drie weken. De crisismaatregel voorziet onder andere in het verplicht kunnen toedienen van medicatie.

Ten aanzien van de noodzaak van verplichte zorg heeft de rechtbank overwogen dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Een voortzetting van de crisismaatregel is noodzakelijk omdat de laatste medicatieverlaging erin heeft geresulteerd dat klager toenemend psychotisch is ontregeld met ernstige nadelen tot gevolg. Hoewel klager vrijwillig heeft meegewerkt aan de eerste ophoging van de medicatie, wilde klager niet meewerken met verdere ophoging daarvan, die volgens de behandelaren wel noodzakelijk was. De paranoïde gedachten en de daaruit voortvloeiende ernstige nadelen zijn nog niet weggenomen. Voor de veiligheid van zowel klager zelf als die van de omgeving is het noodzakelijk dat er middels verplichte zorg adequaat kan worden ingegrepen.

Klager is sinds 31 juli 2023 opgenomen in kliniek D. (hierna: de kliniek).

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klager op 28 maart 2024 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. In de schriftelijke kennisgeving is het toedienen van medicatie aangekruist als de aan hem te verlenen vorm van verplichte zorg. 

De beslissing van 28 maart 2024 vermeldt dat het verlenen van verplichte zorg noodzakelijk is omdat klager meent geen medicatie nodig te hebben en hij de veiligheid van andere mensen niet kan garanderen. De behandelaar komt in deze beslissing verder tot het oordeel dat klager wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij nodig heeft, omdat klager beperkt ziektebesef en ziekte-inzicht heeft en hij psychotische belevingen en paranoïde gedachten vertoont. Ook zou klager boos en verbaal dreigend zijn naar zorgverleners en een andere medecliënt, wat de vrijwillige behandeling van de psychiatrische en somatische klachten onuitvoerbaar maakt.

De klacht en het standpunt van klager

De klacht, zoals door klager toegelicht tijdens de hoorzitting en zijn antwoorden op vragen vanuit de Klachtencommissie, houdt in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot verhoging van de dosering van medicatie.

Klager stelt in zijn klaagschrift en ter zitting dat hij het niet eens is met de ophoging van medicatie van 7,5/10 mg naar 20 mg aripiprazol. Volgens klager is deze ophoging gebaseerd op de aanname van de behandelaren dat hij lijdt aan hallucinaties of wanen, nadat hij hen had geïnformeerd over diverse gebeurtenissen die hij had meegemaakt op de afdeling. Klager meent goede aanwijzingen te hebben gehad dat deze gebeurtenissen ook daadwerkelijk waren gebeurd, en meent dan ook niet psychotisch te zijn. Klager is van mening dat de ophoging van de medicatie oneerlijk is en dat zijn open en eerlijke verhaal juist beloond had moeten worden. Daarnaast licht klager ter zitting toe dat hij vreest dat zijn behandeling in de kliniek langer duurt, omdat er meer tijd genomen moet worden om de verhoogde medicatie af te bouwen. De dosis van 7,5 mg of maximaal 10 mg aripiprazol is volgens klager voldoende.

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de Commissie verzocht de beslissing tot verplichte toediening van medicatie van de zorgaanbieder te schorsen. Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgaanbieder voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing tot toediening van medicatie niet geschorst kan worden ter voorkoming van ernstig nadeel. De Commissie heeft dan ook geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen en heeft daarop in een aparte beslissing, gedateerd 11 april 2024, het schorsingsverzoek afgewezen.

Schadevergoeding

Klager wenst een schadevergoeding te ontvangen voor het besluit waarmee hij het niet eens is. Bij gegrondverklaring van de klacht zal hij dit verzoek om schadevergoeding met een nieuw document onderbouwen.

Het standpunt van verweerder

De behandelaar stelt in zijn verweerschrift dat een dosis van 7,5/10 mg niet voldoende was voor de behandeling van klager. Met deze dosis was sprake van achteruitgang en uit eerder bloedonderzoek is gebleken dat de spiegel bij 10 mg onder de referentiewaarden lag. De behandelaar stelt in zijn verweerschrift verder dat de paranoïdie inmiddels, met een dosering van 20 mg, in zoverre is afgenomen dat klager eraan twijfelt of het misbruik – zoals klager heeft beschreven in zijn gebeurtenissen – wel heeft plaatsgevonden. Het verlagen van de aripiprazol zou ertoe kunnen leiden dat er weer achteruitgang plaatsvindt, wat een toename van paranoïdie tot gevolg kan hebben. Om dreigend nadeel af te wenden is het noodzakelijk dat de antipsychotische medicatie in deze dosering voortgezet wordt, aldus de behandelaar.

Overwegingen en oordeel

Klager stelt zich, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de Commissie begrijpt, op het standpunt dat hij het niet eens is met de behandeling met 20 mg aripiprazol. 

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of een zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – kort samengevat – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens de tekst van de Wvggz, plaats te vinden op grond van een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke.

Bij de beoordeling van de klacht moet de Commissie beoordelen of er voor de behandelaar voldoende gronden waren om de dosering te verhogen van 7,5/10 mg naar 20 mg aripiprazol. De Commissie komt tot het oordeel dat de zorgverantwoordelijke in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder de verhoging van medicatie kon worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. De Commissie legt hieraan ten grondslag dat blijkens de stukken een dosering van 7,5/10 mg nog leidde tot achteruitgang. Daarnaast is uit de stukken naar voren gekomen dat een spiegel bij 10 mg onder de zogenomede referentiewaarden lag. Volgens de behandelaar is er met de dosering van 20 mg nu sprake van verbetering van het toestandsbeeld. Zo stelt de behandelaar dat klager nu twijfelt of het misbruik – zoals klager heeft beschreven in zijn gebeurtenissen – wel heeft plaatsgevonden. De zorgverantwoordelijke kon op goede gronden voorbij gaan aan de wens van klager om de dosering te houden bij 7,5 tot 10 mg. Klager heeft desgevraagd aangegeven geen hinder te ondervinden van de verhoogde dosering van 20 mg aripiprazol. De Commissie is het dan ook met de behandelaren eens dat er voldoende aanleiding was om de medicatie te verhogen en komt tot de conclusie dat de klacht ongegrond is. 

Schadevergoeding

Nu de klacht ongegrond zal worden verklaard, is er naar het oordeel van de Commissie geen aanleiding tot toekenning van een schadevergoeding. 

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond; en
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze beslissing is op 16 april 2024 telefonisch aan betrokkenen meegedeeld.
De schriftelijke beslissing is op 22 april 2024 aan betrokkenen verzonden.
De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

 

Deze beslissing is gegeven door de heer X., voorzitter, mevrouw X., lid psychiater en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door mevrouw X., ambtelijk-secretaris.

 

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.