Ongegronde medicatieklacht


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 8 november 2023, door de Klachtencommissie ontvangen op 8 november 2023, nummer 2311-143

Datum: 20 november 2023

Inleiding

De Klachtencommissie is op 20 november 2023 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A. tegen B..

Het betreft een procedure op grond van artikel 10:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Aanwezig

Klager: de heer A.;
bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp). 

Zorgaanbieder: FACT D., onderdeel van B., vertegenwoordigd door mevrouw E.,  psychiater; en
de heer F., casemanager.

Klachtencommissie: de heer X, voorzitter, jurist;
mevrouw X, lid, psychiater; en
mevrouw X, lid, voorgedragen door de Cliëntenraad.

Secretaris: mevrouw X.

Stukken

De Klachtencommissie, hierna te noemen de commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift, gedateerd 8 november 2023;
  2. het verweerschrift, gedateerd 13 november 2023; en
  3. gegevens uit het (medisch/verpleegkundig) dossier van de heer A..

Samenvatting

De klacht houdt samengevat in dat klager zich niet kan vinden in het besluit van B. tot (het toedienen van) medicatie. De commissie komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Het verzoek van klager tot vergoeding van zijn schade wordt afgewezen. 

De feiten en omstandigheden

De commissie gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de volgende feiten en omstandigheden. 

Bij beschikking van 26 april 2023 heeft de Rechtbank G. besloten voor klager een (aansluitende) zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. De zorgmachtiging voorziet onder andere in het kunnen verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie aan klager. Klager had met zijn advocaat afgesproken dat hij zich niet tegen de aansluitende zorgmachtiging zou verzetten. Omdat hij het evenmin nodig vond om ter zitting verweer te voeren of dit door zijn advocaat te laten doen had hij voor de zitting een referteverklaring ondertekend. De rechtbank heeft op basis hiervan en de andere overgelegde stukken besloten de beschikking af te geven.

Klager ontvangt sinds 1 februari 2022 ambulante zorg van FACT D.. In het zorgplan staat  vermeld dat klager bekend is met een licht verstandelijke beperking met psychotische decompensaties. Dit laatste waarschijnlijk als gevolg van overzichtsverlies bij zijn verstandelijke beperking. Schizofrenie is bij klager niet uitgesloten. Hij heeft een uitgebreide voorgeschiedenis met vele (gedwongen) opnamen en behandelingen wegens psychotische symptomatologie en agressieve impulsdoorbraken. 

In september 2023 werd volgens het behandelteam duidelijk dat klager de hem voorgeschreven medicatie ging weigeren. Ter voorkoming van een verslechtering van het psychiatrisch toestandsbeeld, is  besloten over te gaan tot het verlenen van verplichte zorg, onder andere in de vorm van (het toedienen van) medicatie. Klager is hierover bij beslissing ex artikel 8:9 Wvggz van 12 oktober 2023 schriftelijk geïnformeerd. 

De behandelaar komt in deze beslissing verder tot het oordeel dat klager wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij nodig heeft. Er heeft overleg plaatsgevonden met de vertegenwoordiger van klager. 

De klacht

Klager verzet zich tegen de volgende handeling/beslissing van de zorgaanbieder:

  •  (toediening van) medicatie. 

Klager verzet zich, ondanks de eerdere referteverklaring, tegen deze vorm van verplichte zorg. Hij verwijst daarbij ook naar de door verweerster op 12 oktober 2023 gegeven beslissing ex artikel 8:9 Wvggz waarin verweerster verwijst naar de mogelijkheid voor klager om een klacht tegen deze beslissing in te dienen. 

Schadevergoeding

Klager wenst een schadevergoeding te ontvangen. Hij heeft aangekondigd dat hij dit bij gegrondverklaring van de klacht met een nieuw document zal onderbouwen.

Het standpunt van klager

Klager zegt het niet eens te zijn met de gedwongen behandeling met medicatie. Hij erkent dat hij eerder geen bezwaar maakte, maar dat is inmiddels veranderd.

Ter toelichting heeft klager aangegeven dat hij geen medicatie wil. Hij ervaart namelijk nare bijwerkingen van de medicatie. Hij komt lucht tekort als hij de trap op moet lopen om zijn woning te bereiken en hij krijgt een dikke buik van de medicatie. Verder ervaart hij pijn en trillingen in zijn linkerbeen en voelt hij zich soms angstig.

Hij wil daarnaast geen medicatie omdat hij dit niet nodig heeft. Hij krijgt het al anderhalf jaar  lang voorgeschreven en hij vindt dat het genoeg is geweest. Als hij al iets moet nemen, dan is wat klager betreft olanzapine het enige middel dat hij wil slikken. Dit vindt hij het minst vervelende middel. Van de andere medicatie die hij geprobeerd heeft kreeg hij nog meer nare bijwerkingen en vervelende klachten. 

De pvp heeft hieraan toegevoegd dat klager hem heeft verteld dat hij anderhalf jaar geleden in eerste instantie wel akkoord ging met de medicatie omdat de situatie toen anders was. Nu ervaart klager te veel bijwerkingen van de medicatie en dit belemmert hem in zijn dagelijks leven. En klager wil geen andere middelen meer proberen. Als hij al iets moet slikken dan is,  zoals hij zelf al heeft opgemerkt, olanzapine de enige optie. 

Het standpunt van verweerder

De behandelaars hebben zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat (het toedienen van) medicatie noodzakelijk is ter afwending van ernstig nadeel, waarbij wel kan worden gekeken of de medicatie kan worden gewijzigd. Het navolgende is aan dit standpunt ten grondslag gelegd. 

Uit de verweerschriften en uit hetgeen ter zitting besproken is, blijkt dat de stoornis van klager volgens zijn behandelaren met zich brengt dat hij zijn hele leven (een onderhoudsdosis) medicatie zal moeten gebruiken. Hiervoor zijn vele gesprekken met hem gevoerd en er zijn verschillende soorten medicatie voorgeschreven. Klager heeft echter steeds aangegeven alleen olanzapine te willen blijven gebruiken. 

Op enig moment in 2023 werd duidelijk dat de klager de voorgeschreven medicatie niet meer wilde. Er zijn door de behandelaren van klager vervolgens wederom diverse gesprekken met hem gevoerd over de noodzaak tot een medicamenteuze behandeling. Dit om de stabiliteit te behouden, alsook om verslechtering van zijn toestandsbeeld en een gedwongen opname te voorkomen. Nadat bleek dat klager echt niet meer bereid was om de aangeboden medicatie vrijwillig in te nemen, hebben zijn behandelaren besloten over te gaan tot het aanzeggen van verplichte zorg in de vorm van medicatie. 

Overeenkomstig artikel 8:9 Wvggz is klager vervolgens op 12 oktober 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk geïnformeerd over de beslissing om over te gaan tot verplichte zorg in de vorm van (het onder toezicht innemen van) medicatie.  

De klachten van klager over de bijwerking van de olanzapine worden volgens zijn behandelaren zeer serieus genomen. Naast het voorstellen van een wijziging naar een ander soort medicatie worden er ook diverse levensstijladviezen gegeven. Daarnaast is H. om een consult gevraagd. De onderzoeksvraag aan H. is of er andere interventies mogelijk zijn zodat er geen onderhoudsdosering antipsychoticum gegeven hoeft te worden om een psychotische decompensatie te voorkomen. Er is hiervoor een eerste overleg geweest en verdere diagnostiek volgt nog. Totdat hier meer duidelijkheid over bestaat, zal klager volgens zijn behandelaren de voorgeschreven medicatie echter wel moeten blijven innemen. 

Het ernstige nadeel dat afgewend dient te worden, bestaat volgens de zorgverantwoordelijke uit het risico op gevaarlijk gedrag van klager. In de beslissing van 12 oktober 2023 staat dit als volgt omschreven: ‘Wanneer u psychotisch ontregeld vertoont u heel ander gedrag dan anders, u bedreigd mensen, bent in het verleden ook agressief geweest naar anderen en u vernielt spullen’.  

Verweerster stelt dus kort weergegeven dat met de verplichte zorg, te weten (het onder toezicht innemen van) medicatie, een ontregeling wordt voorkomen. 

Overwegingen en oordeel

Klager stelt zich, gelet op de inhoud van het klaagschrift en de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de commissie begrijpt, op het standpunt dat er geen enkele aanleiding is voor een behandeling met antipsychotische medicatie, laat staan een gedwongen toediening met deze of andere medicatie.  

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, niettemin op grond van een rechterlijke beslissing verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens de tekst van de Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Op basis van bovenstaande overweegt de commissie als volgt. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de commissie gebleken dat klager lijdt aan een psychische stoornis. De commissie heeft geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. De rechter is op basis van de diagnose en het daardoor veroorzaakte nadeel daar bij het verlenen van de zorgmachtiging ook van uitgegaan.

Er is daarnaast sprake van een risico op bovengenoemd ernstig nadeel indien klager de voorgeschreven medicatie niet blijft gebruiken. Zonder antipsychotische medicatie zal klager weer ontregelen en nadeel veroorzaken.  

De commissie is verder van oordeel dat de behandelend psychiater zo veel als mogelijk heeft geprobeerd aan de wensen en voorkeuren van klager tegemoet te komen, maar dat dit tot nu toe niet tot overeenstemming heeft geleid. 

De commissie is tevens van oordeel dat de zorgverantwoordelijke in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder een behandeling met antipsychotische medicatie kan worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. Zo is in het verleden al gezien dat een behandeling met antipsychotische medicatie een goed effect heeft (gehad) op het toestandsbeeld van klager. Het valt verder op dit moment niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstige nadeel kan wegnemen. Hierbij merkt de commissie op dat zij van klager heeft begrepen dat hij last heeft van nare bijwerkingen van de medicatie. Volgens de commissie weegt in dit geval het voordeel, te weten het voorkomen van psychiatrische verslechtering met risico op bovengenoemd ernstig nadeel, zwaarder dan het door klager genoemde en ervaren nadeel.

Tot slot is klager conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz schriftelijk geïnformeerd over de  gedwongen behandeling met medicatie. 

Het geheel overziend is de commissie van oordeel dat de klacht over het verlenen van verplichte zorg in de vorm van medicatie ongegrond moet worden verklaard.  

Beslissing

De commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond
  • wijst het verzoek tot vergoeding van schade af.

De beslissing is op 22 november 2023 telefonisch aan de betrokkenen meegedeeld.
De schriftelijke beslissing is op 27 november 2023 aan betrokkenen verzonden.
De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.