Ongegronde klacht tegen verplichte medicatie


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken      

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van mevrouw A., gedateerd 23 augustus 2023, bij de klachtencommissie binnengekomen op 23 augustus 2023, nummer 2308-107

Datum: 18 september 2023

Inleiding

De klachtencommissie is op 18 september 2023 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van mevrouw A., gedateerd 23 augustus 2023, tegen instelling B. 

De klacht betreft een procedure op grond van artikel 10:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

Mevrouw A. heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot bemiddeling door de klachtencommissie. 

Aanwezig tijdens de hoorzitting

Klager: mevrouw A.;
bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (hierna pvp)

Instelling: de heer D, psychiater, (bij kliniek B.) (telefonisch);
mevrouw E, psychiater (bij kliniek B.);
de heer F., arts  (bij kliniek B.). 

Klachtencommissie: de heer X., voorzitter, jurist;
mevrouw X., lid, psychiater;
mevrouw X., lid, voorgedragen door de Cliëntenraad

de heer X., toehoorder.

Ambtelijk secretaris: mevrouw X.

Stukken

De klachtencommissie, hierna te noemen de commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift;
  2. het verweerschrift;
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van mevrouw A..

Samenvatting

De klacht houdt zakelijk samengevat in dat klaagster zich niet kan vinden in het besluit tot het verlenen van verplichte zorg, inhoudende het toedienen van bepaalde medicatie. De commissie komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

De feiten en omstandigheden

De commissie gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de volgende feiten en omstandigheden. 

Mevrouw A. is een vrouw die al lang bekend is in de psychiatrie. Zij is sinds 2018 opgenomen in de kliniek G., onderdeel van B. 

Bij beschikking van 7 november 2022 heeft de Rechtbank J. ten aanzien van mevrouw A. een (aansluitende) zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden met verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder “het toedienen van medicatie”.  

In de beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstig lichamelijk letsel; ernstige psychische schade; ernstige verwaarlozing; maatschappelijke teloorgang; en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

Bij brief van 17 november 2023 heeft de zorgverantwoordelijke overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz aan mevrouw A. bericht dat zij heeft besloten per die datum de volgende vorm van verplichte zorg aan mevrouw A. te verlenen: “het toedienen van medicatie”. 

De zorgverantwoordelijke heeft in de brief het volgende vermeld: 

Voorbereiding beslissing

Op 17-11-2022 heb ik mij op de hoogte gesteld van uw huidige gezondheidstoestand. De beslissing verlenen van verplichte zorg is met u besproken.

Wilsbekwaamheidsbeoordeling

(…) Mijn conclusie hierover ten aanzien van de ondergenoemde vorm(en) van verplichte zorg is dat er sprake is van: wilsbekwaam, waarbij er sprake is van levensgevaar voor betrokkene en/of ernstig nadeel voor anderen en/of gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

Verplichte zorg

(…) Verwachte maximale duur 12 maanden

(…) Medicatie is nodig om onderliggende achterdocht en stemmingswisselingen rustiger te maken”.

De klacht

Mevrouw A. klaagt tegen de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 8:9 van de Wvggz, inhoudende het tegen de wil toedienen van bepaalde medicatie. 

Schorsingsverzoek 

Mevrouw A. heeft de commissie verzocht de bestreden beslissing te schorsen. De instelling heeft de commissie vervolgens geïnformeerd dat de verplichte zorg in de vorm van medicatie nog niet zal worden toegepast in afwachting van een beslissing van de commissie. Bij afzonderlijke beslissing gedateerd 28 augustus 2023 heeft de klachtencommissie het schorsingsverzoek ten aanzien van de medicatie toegewezen.

Schadevergoeding

Mevrouw A. wenst een schadevergoeding te ontvangen. Bij gegrondverklaring van de klacht zal zij dit verzoek met een nieuw document onderbouwen.

Het standpunt van klaagster

Mevrouw A. is het er niet mee eens dat zij verplicht medicatie krijgt toegediend in de vorm van een depot. Zij heeft deze medicatie gedurende korte tijd vrijwillig in orale vorm ingenomen, maar omdat de medicatie een averechts effect op haar had, is zij met de orale inname gestopt. Zij werd namelijk in plaats van rustig, juist onhoudbaar angstig en gespannen van de medicatie. Zij heeft tijdens een moment in de separeerruimte – enige tijd geleden – al depot medicatie toegediend gekregen terwijl zij dacht dat het om ingrijpmedicatie ging. Vervolgens is op 17 augustus 2023 besloten om haar nogmaals een depot medicatiel toe te dienen, ondanks haar verzoek om dit niet te doen. Na de toediening van dit depot is zij erg ziek geworden en heeft zij vier dagen op bed gelegen. 

Mevrouw A. heeft verder opgemerkt dat zij heeft voorgesteld om haar alternatieve medicatie te verstrekken, maar hier wordt niet naar geluisterd. Zo heeft zij in het verleden goed gereageerd op Seroquel en daar ervoer zij geen bijwerkingen van. In dit kader heeft mevrouw A. tijdens de hoorzitting opgemerkt dat haar behandelend psychiater haar zou hebben beloofd dat als de door hem voorgestelde antipsychotische medicatie niet zou werken, zij weer Seroquel zou krijgen. De psychiater houdt zich – kennelijk – niet aan zijn belofte en mevrouw A. is het daar niet mee eens.  

Daarnaast heeft de pvp namens mevrouw A. opgemerkt dat zij ten onrechte geen schriftelijke beslissing over de uitvoering van de verplichte zorg in de vorm van medicatie heeft ontvangen. 

Tot slot heeft mevrouw A. herhaald dat zij geen depotmedicatie of vergelijkbare antipsychotische medicatie toegediend wil krijgen. 

Het standpunt van verweerder

De zorgverantwoordelijke heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van (depot)medicatie volstrekt noodzakelijk is ter afwending van ernstig nadeel. Het navolgende is aan dit standpunt ten grondslag gelegd.

Mevrouw A. is naar kliniek G. verwezen voor een behandeling met duidelijke structuur en diverse therapieën om de copingstrategie te verbeteren en haar angstklachten te verminderen. Mevrouw A. is verwezen vanuit de Kliniek H.. van B., onder andere omdat zij op vrijwel alle klinische psychiatrische afdelingen ontwrichtend en (be)dreigend gedrag heeft laten zien. Het doel van de huidige opname en behandeling is onder andere dat mevrouw A. na een verbetering van haar toestandsbeeld kan worden aangemeld voor begeleid wonen. 

Mevrouw A. heeft in het verleden en ook op de kliniek G. al meerdere soorten medicatie voorgeschreven gekregen en gebruikt, waaronder Seroquel, maar al deze soorten medicatie bleken onvoldoende effectief om het toestandsbeeld van mevrouw A. te verbeteren. Zo bood Seroquel niet de noodzakelijke bescherming. Voorafgaand aan de behandeling met medicatie heeft mevrouw A. andere medicatie voorgeschreven gekregen. Mevrouw A. reageerde hier volgens haar behandelaar goed op, maar toen bleek dat zij hartklachten kreeg (een (mogelijke) bijwerking van de medicatie) is dit middel niet langer aan haar voorgeschreven.  Mevrouw A. wordt nu behandeld met (andere) medicatie in de verwachting dat dit middel op den duur ook effectief is. Eerst kreeg zij dit in orale vorm voorgeschreven, maar nadat bleek dat mevrouw A. de medicatie niet altijd even trouw innam, is besloten dit in depotvorm toe te dienen. 

Ten aanzien van de belofte die door de behandelend psychiater aan mevrouw A. zou zijn gedaan ten aanzien van Seroquel heeft hij ter zitting het navolgende opgemerkt. De behandelend psychiater heeft tegen mevrouw A. gezegd dat als zou blijken dat geen enkel antipsychotisch middel tegen haar klachten werkt, hij haar (weer) Seroquel zou voorschrijven. Echter, er werd gezien dat het toestandsbeeld van mevrouw A. verbeterde na de inname van medicatie. De behandelend psychiater heeft dan ook goede hoop dat mogelijk ook een ander antipsychotisch middel tot een verbetering van haar toestandsbeeld zal leiden. Terzijde is daarbij ter zitting opgemerkt dat, vanwege de door mevrouw A. ervaren bijwerkingen, de psychiater desnoods met haar in overleg wil over een ander soort antipsychotische medicatie. 

Tot slot heeft de behandelend psychiater voor wat betreft de formele vereisten van de beslissing inzake de tenuitvoerlegging van de verplichte behandeling verwezen naar de schriftelijke beslissing van 17 november 2022. 

Overwegingen en oordeel

Mevrouw A. stelt zich, gelet op de inhoud van het klaagschrift en de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de commissie begrijpt, op het standpunt dat zij geen behandeling met antipsychotische depotmedicatie wil dan wel nodig heeft, zeker niet aangezien de door haar ervaren bijwerkingen van de medicatie niet opwegen tegen de (mogelijke) gunstige effecten. 

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de commissie als volgt. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de commissie gebleken dat mevrouw A. lijdt aan een psychische stoornis. De commissie heeft geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. 

Er is verder sprake van een risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade,  ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is, indien geen verbetering in het toestandsbeeld van mevrouw A. optreedt. Ter afwending van dit ernstig nadeel had en heeft mevrouw A. zorg nodig.

De commissie is verder van oordeel dat de behandelaren in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder toediening van antipsychotische depotmedicatie kon en kan worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. Het valt niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstige nadeel kan wegnemen. De commissie merkt in dit kader op dat zij van mevrouw A. heeft begrepen dat zij nare bijwerkingen van de depotmedicatie ondervindt. Hoewel de commissie snapt dat dit heel vervelend is voor mevrouw A. is zij, alles overziend, van oordeel dat de beoogde (goede) werking van de depotmedicatie met thans meer doorslaggevend van aard is.  

Tot slot heeft de commissie vast kunnen stellen dat mevrouw A., conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd geïnformeerd is over de gedwongen behandeling met depotmedicatie. 

Het geheel overziend is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. 

De beslissing

De commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af

Deze beslissing is op 18 september 2023 telefonisch aan alle betrokkenen meegedeeld.
De schriftelijke beslissing is op 25 september 2023 aan betrokkenen verzonden.