Ongegronde klacht tegen (depot)medicatie


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 13 oktober 2023, bij de klachtencommissie binnengekomen op 16 oktober 2023 nummer 2310-134

Datum: 6 november 2023

Inleiding

De klachtencommissie is op 6 november 2023 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A., gedateerd 13 oktober 2023, bij de klachtencommissie binnengekomen op 16 oktober 2023, tegen B. (hierna: de zorgaanbieder).

Het betreft een procedure op grond van artikel 10:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

De heer A. heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot bemiddeling door de klachtencommissie. Er heeft bemiddeling plaatsgevonden op 24 oktober 2023. Dit heeft niet geleid tot het wegnemen van de klacht.

Aanwezig

Klager: de heer A.;
bijgestaan door: mevrouw C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp).

Verweerder: namens de zorgaanbieder:
mevrouw D., psychiater FACT-team;
de heer E., ambulant verpleegkundige en case-manager.

Klachtencommissie: mevrouw X, voorzitter, jurist;
mevrouw X, lid, psychiaterl;
mevrouw X, lid, voorgedragen door de Cliëntenraad.

Ambtelijk secretaris: mevrouw X.

Stukken

De klachtencommissie, hierna te noemen de commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift;
  2. het verweerschrift;
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van de heer A..

Samenvatting

De klacht houdt samengevat in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot verplichte toediening van (antipsychotische) depotmedicatie. De commissie komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. 

De feiten en omstandigheden

Bij beschikking van 7 februari 2023 heeft de Rechtbank F. (hierna: de rechtbank) ten aanzien van de heer A. een zorgmachtiging verleend voor – onder andere – het toedienen van medicatie, voor de duur van twaalf maanden, dus tot en met 7 februari 2024.

Ten aanzien van de noodzaak van verplichte zorg heeft de rechtbank overwogen dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Volgens de rechtbank heeft de heer A. geen ziektebesef en -inzicht en betwist hij de diagnose en de noodzaak van medicatie, reden waarom de medicatie onder toezicht wordt gegeven. Nu hij de noodzaak van de behandeling betwist, zal hij bij het ontbreken van een machtiging zijn medicatie-inname staken of naar eigen inzicht bijstellen, hetgeen volgens de psychiater snel weer ernstig nadeel tot gevolg zal hebben. Volgens de psychiater is de toestand van de heer A. ook met de machtiging niet echt stabiel te noemen, aldus de rechtbank. 

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is de heer A. op 5 oktober 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging. In de schriftelijke kennisgeving is ‘het toedienen van medicatie’ aangekruist als de aan hem te verlenen vorm van verplichte zorg. 

De beslissing van 5 oktober 2023 vermeldt dat de heer A. wordt ingesteld op een haloperidoldepot, omdat eerdere behandeling met haloperidoltabletten in het verleden doelmatig is gebleken doordat het voor verbetering van de psychiatrische klachten zorgde. De heer A. wilde de tabletten toen niet langer innemen vanwege zijn bezwaren tegen deze medicatie. De psychiater motiveert haar beslissing verder als volgt (letterlijk weergegeven): “ U kreeg de haldoltabletten destijds onder toezicht, maar smokkelde hiermee. Dit is de reden waarom ik behandeling met een depot nodig acht (subsidiariteit). Op dit moment is het niet langer mogelijk om u te behandelen met het antipsychotiscum wat u nu gebruikt (quetiapine), omdat er desondanks recent meerdere klachten binnen zijn gekomen van uw buurman waaruit blijkt dat u weer meer psychotische klachten heeft. Om te voorkomen dat u in de toekomst uw huis verliest als gevolg van deze meldingen, vindt ik het noodzakelijk om u nu te gaan behandelen met een haldoldepot in de hoop dat deze overlastmeldingen zullen afnemen (proportioneel).”

De behandelaar komt in deze beslissing tot het oordeel dat de heer A. wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij nodig heeft.  Er heeft overleg plaatsgevonden met zijn vertegenwoordiger. 

De klacht

De klacht van de heer A. richt zich tegen de beslissing van de zorgaanbieder om hem verplichte medicatie toe te dienen. 

Schorsingsverzoek 

De heer A. heeft de commissie verzocht de bestreden beslissing te schorsen. 

De zorgaanbieder heeft de commissie vervolgens op 17 oktober 2023 geïnformeerd dat de verplichte zorg nog niet zal worden toegepast in afwachting van een beslissing van de commissie. De commissie heeft de heer A. dit in een aparte beslissing, gedateerd 17 oktober 2023, meegedeeld, en zal zich nu dan ook beperken tot een oordeel over de klacht.

Het standpunt van klager

De heer A. heeft ter zitting gezegd dat hij geen haloperidoldepot wil, en dat de psychiater bij haar diagnose en behandeling uitgaat van een verkeerde, subjectieve voorstelling van zaken. Zij baseert zich op foutieve gegevens die al in zijn dossier staan en doet zelf geen goed wetenschappelijk onderzoek. Zij praat alleen met hem, maar zou volgens de heer A. onderzoek moeten doen op basis van objectieve metingen. Met zijn vorige behandelaar had hij goed contact en hij zou graag naar deze psychiater terugkeren. 

De heer A. zegt dat hij een overlast veroorzakende onderbuurman heeft, die hem steeds lastig valt. Ook ontvangt deze buurman grote groepen extremistische mensen in zijn huis die gezamenlijk haat op hem projecteren omdat zij jaloers zijn op zijn maatschappelijk succes. De buurman doet steeds meldingen over hem, maar de feitelijke situatie is andersom: de buurman veroorzaakt zelf overlast, volgens de heer A.. Ter zitting heeft hij ook gezegd dat hij meer meldingen over de buurman had moeten doen, en dat de behandelaars verkeerde aannames doen over hem op basis van de meldingen van de buurman.

Het standpunt van verweerder

De zorgaanbieder heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat behandeling met een haloperidoldepot volstrekt noodzakelijk is ter afwending van ernstig nadeel. Het navolgende is aan dit standpunt ten grondslag gelegd. 

Uit het verweerschrift en uit hetgeen ter zitting besproken is, blijkt dat de heer A. is gediagnosticeerd met een bipolaire I stoornis. De afgelopen tijd was er een toename van de psychotische symptomen. Volgens de behandelaar heeft de heer A. onder meer last van paranoïde wanen inzake straling en ‘geprojecteerde haat’ door de onderburen. De afgelopen tijd is ook het aantal overlastmeldingen over de heer A. (weer) toegenomen, waardoor uithuiszetting dreigt. 

Mevrouw D. is sinds oktober 2022 de behandelend psychiater van de heer A.. Toen hij bij haar in behandeling kwam gebruikte hij haloperidoltabletten en lithium. Deze combinatie werkte in het verleden goed. Omdat de heer A. bezwaar tegen de haloperidol had en hier ook mee smokkelde, werd in samenspraak besloten quetiapine te proberen. Om werkzaam te zijn tegen psychoses moet deze dan wel in een hogere dosering worden ingenomen, en daarom werd een opbouwschema gemaakt waar de heer A. mee instemde. Omdat hij vervolgens bezwaar maakte tegen de verhoging naar 200 mg per dag, reikte de psychiater een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg uit. Daarna werd de medicatie verder opgehoogd, maar de heer A. kreeg last van bijwerkingen en begon te smokkelen. Hij moest elke dag langskomen bij het FACT-team om de medicatie onder toezicht in te nemen, maar er was elke dag discussie over die inname. Omdat de situatie onwerkbaar was, heeft de psychiater de heer A. de medicatie een tijdje in eigen beheer gegeven, zodat er tijdelijk rust zou zijn. De psychiater wilde het een poosje aankijken en sprak af dat er een gesprek zou komen als het psychiatrisch beeld van de heer A. zou verslechteren. Op dat punt zijn ze nu aanbeland. De overlastmeldingen van de buren namen toe. De behandelaars denken dat de overlast die de heer A. zelf ervaart, verklaard kan worden vanuit de psychose. 

De psychiater heeft de heer A. nog het voorstel gedaan om in plaats van het haloperidoldepot één keer per week oraal penfluridol te nemen, maar ook daar stemde hij niet mee in. 

Overwegingen en oordeel

De heer A. stelt zich, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de commissie begrijpt, op het standpunt dat een behandeling met een haloperidoldepot niet nodig is en dat hij niet lijdt aan een stoornis van de geestvermogens.

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de commissie als volgt. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de commissie gebleken dat de heer A. lijdt aan een psychische stoornis, te weten een bipolaire I stoornis. Hoewel de heer A. de stoornis ontkent, heeft de commissie geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. 

Er is sprake van een groot risico op maatschappelijke teloorgang en op de situatie dat de heer A. met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept indien geen verbetering in zijn toestandsbeeld optreedt. Daarmee staat voor de commissie vast dat het gedrag van de heer A. als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft hij zorg nodig.

De commissie is van oordeel dat de behandelend psychiater zo veel mogelijk aan de wensen en voorkeuren van de heer A. is tegemoet gekomen, maar dat dit tot nu toe tot onvoldoende verbetering van zijn psychiatrisch toestandsbeeld heeft geleid. 

De commissie is verder van oordeel dat de behandelaars in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder aanpassing van de huidige medicatie kan worden afgewend. De behandelaars hebben tevens voldoende duidelijk gemaakt dat medicatie in depotvorm vanwege het gebrek aan ziektebesef en therapietrouw bij de heer A. de aangewezen vorm van behandeling is. Hierbij geldt dat blijkens de stukken en de verklaringen ter zitting  behandeling met haloperidol (in combinatie met lithium) in het verleden doelmatig is gebleken. Het valt niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstige nadeel kan wegnemen. 

Tot slot heeft de commissie vast kunnen stellen dat er een geldige zorgmachtiging aanwezig is en dat de heer A., conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd geïnformeerd is over de gedwongen behandeling met de voorgestelde medicatie.

Het geheel overziend is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. 

Beslissing

De commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond;

Deze beslissing is op 7 november 2023  telefonisch aan betrokkenen meegedeeld.
De schriftelijke beslissing is op 9 november 2023 aan betrokkenen verzonden.