Ongegronde klacht over vijf vormen van verplichte zorg


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken  

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 15 januari 2024, bij de Klachtencommissie binnengekomen op 15 januari 2024, nummer 2401-04

Datum: 29 januari 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 29 januari 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A. (hierna: klager) tegen B. (hierna: verweerder), met nummer 2401-04.

De klacht gaat over het nakomen van een verplichting of over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

 

Aanwezig

Klager: de heer A.;

bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp).

Zorgaanbieder: D. (hierna: de kliniek),
onderdeel van E., vertegenwoordigd door
de heer F., psychiater.

 

Stukken

De Klachtencommissie, hierna te noemen de Commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift, binnengekomen op 15 januari 2024;
  2. het verweerschrift, binnengekomen op 18 januari 2024; en 
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klager.

Samenvatting

De klacht houdt in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot

1) het controleren van zijn lichaam op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

2) het onderzoeken van zijn verblijfsruimte op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

3) het opleggen van separatie van 13 januari tot 15 januari 2024;

4) het opleggen van een kamerprogramma; en

5) de inname van een communicatiemiddel (telefoon).

De Commissie komt tot het oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Het verzoek van klager tot vergoeding van zijn  schade wordt afgewezen. 

De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken staat voor de Commissie het volgende vast. 

Bij beschikking van 3 oktober 2023 heeft de Rechtbank G. (hierna: de rechtbank) besloten voor klager een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. De zorgmachtiging voorziet onder andere in het verplicht kunnen uitvoeren van onderzoek aan kleding of lichaam; uitvoeren van onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen; controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloede middelen; insluiten (gedurende telkens maximaal twee weken); en aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het houden aan afspraken met het ambulante behandelteam. 

Ten aanzien van de noodzaak van verplichte zorg heeft de rechtbank overwogen dat het ernstig nadeel actueel is op het moment dat klager opnieuw psychotisch raakt. De geschiedenis van klager toont volgens de rechtbank aan dat klager als gevolg van een psychotische decompensatie meerdere keren opgenomen is geweest. Tijdens deze opnames is gezien dat klager zich dreigend en agressief kan gedragen, door onder meer het bedreigen en (seksueel) intimideren van anderen of vernielen van zaken. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de psychische stoornis waar klager aan lijdt – te weten een ander gespecificeerde schizofreniespectrumstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis – bij gebrek aan voldoende zorg nog immer kan leiden tot voornoemd ernstig nadeel.

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klager op 7 januari 2024 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging, inzake onder meer het insluiten (voor maximaal twee weken). Deze schriftelijke kennisgeving is op 11 januari 2024 aangevuld met de volgende vormen van verplichte zorg: het onderzoek aan kleding of lichaam; het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen; en het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen. Op 15 januari 2024 is vervolgens ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’ nog aangekruist als te verlenen vorm van verplichte zorg.

De beslissing van 7 januari 2024 vermeldt dat het verlenen van verplichte zorg noodzakelijk is, omdat (letterlijk overgenomen): 

“U bent psychotisch gedecompenseerd en gediagnostiseerd met een psychotische stoornis. Vanuit uw psychiatrisch toestandsbeeld vormt u een gevaar voor anderen: op straat valt u anderen lastig. Ambulant neemt u wisselend uw medicatie in. U bent opgenomen om uw psychiatrisch toestandsbeeld te behandelen. Het is niet mogelijk om vrijwillig te behandelen, aangezien u ambulant uw medicatie wisselend innam. Wij verwachten dat de verleende verplichte zorg effectief zal zijn. Daarnaast staat het in proportie met de hierboven beschreven nadelen.

[Aanvulling 11-1: u bent bekend met een stoornis in het gebruik van cannabis en een psychotische stoornis. Cannabisgebruik kunnen de klachten van een psychotische stoornis verergeren. Omdat er drugs op de afdeling aanwezig waren, was het bij voorbaat niet uit te sluiten dat u ook gebruikt zou hebben. Het was daarom nodig de bovengenoemde onderzoeken naar aanwezigheid en gebruik te verrichten.]”

De behandelaar komt in deze beslissing tot het oordeel dat klager wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij nodig heeft.

Klager is op 19 januari 2024 vanuit de kliniek overgeplaatst naar H. Hij verblijft hier tijdens de hoorzitting van 29 januari 2024. 

De klacht

Klager verzet zich tegen de volgende handeling/beslissing van de zorgaanbieder, naar aanleiding van de hierboven genoemde crisismaatregel/ zorgmachtiging:

1) het controleren van zijn lichaam op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

2) het onderzoeken van zijn verblijfsruimte op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

3) het opleggen van een verblijf in separatie van 13 januari tot 15 januari 2024;

4) het opleggen van een kamerprogramma; en

5) de inname van een communicatiemiddel (telefoon).

 

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de Commissie verzocht de bestreden handelingen/beslissingen van de zorgaanbieder te schorsen. 

Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgaanbieder voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van de beslissing tot inname van de telefoon van klager, het opgelegde kamerprogramma en de doorzoeking van de kamer van klager niet geschorst kunnen worden ter voorkoming van ernstig nadeel. De Commissie heeft dan ook geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen en heeft daarop in een aparte beslissing, gedateerd 18 januari 2024, het schorsingsverzoek afgewezen. De Commissie heeft klager daarbij laten weten dat zij heeft vernomen dat de separatie van klager per 15 januari 2024 is beëindigd.

 

Schadevergoeding

Klager wenst een schadevergoeding te ontvangen. Bij gegrondverklaring van de klacht zal hij dit met een nieuw document onderbouwen.

 

Het standpunt van klager

De heer A. zegt dat er op grond van een drugsverdenking allerlei vormen van verplichte zorg aan hem zijn opgelegd tijdens zijn verblijf op D., zoals een separatie, kamerprogramma, onderzoek aan lichaam en kleding, onderzoek in zijn kamer, en de inname van zijn telefoon. Er is echter bij hem geen drugs aangetroffen, net zomin als in zijn kamer. De heer A. begrijpt niet waarom zijn telefoon ingenomen is en hij gesepareerd werd en anderen niet. De enige reden dat hij werd gesepareerd is volgens hem dat hij op de deur van de kamer klopte waarin hij was gezet toen zijn kamer werd doorzocht. Hij zegt niet tegen de deur geschopt te hebben. 

Het standpunt van verweerder

De behandelaars hebben zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat de bestreden vormen van zorg alle volstrekt noodzakelijk waren ter afwending van ernstig nadeel. Het navolgende is aan dit standpunt ten grondslag gelegd. 

Uit het verweerschrift en uit hetgeen ter zitting besproken is, blijkt dat er grote hoeveelheden drugs waren gevonden op de afdeling, waarbij het vermoeden was dat klager hierin een rol had gespeeld. Redenen hiervoor waren onder meer dat hij positief getest was op THC en er een joint op een plek lag waar hij kort daarvoor met een medecliënt stond te fluisteren.

Omdat drugsgebruik groot gevaar oplevert voor de psychische toestand van zowel klager als die van verschillende medecliënten op de afdeling, waren de volgende genomen maatregelen nodig. De telefoon van klager werd ingenomen in verband met misbruik (meerdere keren 112 bellen) en het vermoeden van drugshandel of deelname in de verspreiding daarvan. Het kamerprogramma, het onderzoek aan het lichaam en het onderzoek in de  kamer hadden dezelfde reden. Overigens werd niet alleen klager, maar de hele afdeling gecontroleerd, en werden er meerdere telefoons ingenomen. De telefoon van klager is snel weer teruggegeven, omdat hij veel telefonisch contact met zijn moeder had. De behandelaar heeft daarbij een soort herstelgesprek met klager gevoerd, waarin hij dingen heeft uitgelegd en in perspectief geplaatst. 

De plaatsing van klager in de extra beveiligde kamer (afzondering) had een andere reden. Op 13 januari 2024 werd door medewerkers van de afdeling met klager gesproken over drugsgebruik. Hierop liep de spanning bij klager op, waarna hij naar een kamer werd begeleid. Daarbij bonkte en trapte hij hard tegen de deur, waarop werd vastgesteld dat zijn veiligheid en die van de medewerkers en medecliënten alleen te garanderen was door plaatsing in J. Klager verbleef tot 15 januari 2024 in J. Het kamerprogramma dat daarvóór was opgelegd, was noodzakelijk omdat klager oninvoelbaar was en hallucinatoir gedrag vertoonde. Het was daardoor niet mogelijk dat hij op de afdeling verbleef.

Overwegingen en oordeel

Klager stelt zich, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de Commissie begrijpt, op het standpunt dat de bestreden vormen van verplichte zorg alle niet nodig waren.

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de Commissie als volgt. 

Niet ter discussie staat dat  klager lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in cannabisgebruik.

Tijdens het verblijf van klager in de kliniek was sprake van een groot risico op ernstig psychisch letsel van klager zelf of van derden (door drugsgebruik); ernstig lichamelijk letsel van derden en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar zou zijn indien geen verbetering in het toestandsbeeld van klager op zou treden. Daarmee staat voor de Commissie vast dat het gedrag van klager als gevolg van zijn psychische stoornis leidde tot ernstig nadeel. Ter afwending van dit ernstig nadeel had klager zorg nodig. Omdat onder meer sprake was van een groot risico op ernstig psychisch letsel van klager zelf, is de Commissie van oordeel dat de behandelaars de genomen maatregelen in het kader van de drugsverdenking terecht als verplichte zorg hebben uitgevoerd. Dit nadeel kon niet met de algemene huisregels worden afgewend. De separatie van klager op 13 januari 2024 was naar het oordeel van de Commissie noodzakelijk vanwege het ernstig nadeel – te weten het risico op lichamelijk letsel van derden en het risico voor de algemene veiligheid van personen of goederen- dat hij op dat moment zelf veroorzaakte. 

De Commissie is verder van oordeel dat de behandelaars in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder alle genoemde en bestreden vormen van verplichte zorg kon worden afgewend, en dat deze doelmatig zijn gebleken. Het valt niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstige nadeel had kunnen wegnemen. 

Tot slot heeft de Commissie vast kunnen stellen dat er een geldige zorgmachtiging aanwezig was en dat klager conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd geïnformeerd is over alle bestreden vormen van de gedwongen behandeling.

Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond moet worden verklaard.

 

Schadevergoeding

Nu de klacht ongegrond zal worden verklaard, is er naar het oordeel van de Commissie geen aanleiding tot toekenning van een schadevergoeding. 

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond;
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af;

De schriftelijke beslissing is op 12 februari 2024 aan betrokkenen verzonden. 

De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door mevrouw X., voorzitter, mevrouw X., lid psychiater en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door X., ambtelijk-secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.