Ongegronde klacht over vijf vormen van verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken  

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van mevrouw A., gedateerd 7 december 2023, bij de 

klachtencommissie binnengekomen op 12 december 2023, met nummer 2312-153

Datum: 15 januari 2024

Inleiding

De klachtencommissie (hierna: de Commissie) is op 15 januari 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van mevrouw A. (hierna: klaagster) tegen B. en C., beide onderdeel van D. (hierna: de zorgaanbieder, tevens verweerder), met nummer 2312-153. 

De klacht gaat over het nakomen van een verplichting of over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

Aanwezig

Klaagster: mevrouw A.; 

Bijgestaan door: de heer E., patiëntenvertrouwenspersoon.

 Zorgaanbieder: vertegenwoordigd door
mevrouw F., psychiater (hierna: de

zorgverantwoordelijke), verbonden aan de zorgaanbieder C.; 

de heer G., verpleegkundig specialist (hierna: de verpleegkundig specialist), verbonden aan de zorgaanbieder B..

Stukken

De Commissie had bij de behandeling van de klacht de beschikking over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift, ingekomen op 12 december 2023;
  2. het verweerschrift, met bijlagen, van de zorgaanbieder, ingekomen op 10 januari 2024;
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klaagster.

Samenvatting

De Commissie heeft een beslissing genomen naar aanleiding van een klacht van klaagster. De klacht heeft betrekking op de verplichte toediening van medicatie aan klaagster, haar opname in een accommodatie, het beperken van haar bewegingsvrijheid, de insluiting op de kamer alsmede de inname van haar mobiele telefoon. De klachten volgen op een door de rechter verleende zorgmachtiging van 24 oktober 2022. De Commissie heeft op basis van de stukken en de toelichting van partijen tijdens de hoorzitting besloten de klacht ongegrond te verklaren. Het nemen van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg voldoet aan de eisen voor en doelen van verplichte zorg uit de Wvggz en is namens de zorgaanbieder juist onderbouwd. 

De feiten en omstandigheden

Bij beschikking van de Rechtbank H. van 24 oktober 2022 is ten aanzien van klaagster een zorgmachtiging verleend, tot en met uiterlijk 24 april 2023. Daarbij is bepaald dat op basis van die machtiging bij wijze van verplichte zorg onder meer de navolgende maatregelen kunnen worden toegepast: “toedienen van medicatie”, “beperken van bewegingsvrijheid telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer”, “insluiten telkens voor de duur van maximaal twee weken per keer”, “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen” en “opnemen in een accommodatie telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer”. 

Bij aanzeggingsbrief van 25 oktober 2022 is door de toenmalige zorgverantwoordelijke aan klaagster medegedeeld dat op grond van artikel 8:9 Wvggz toepassing zal worden gegeven aan de vormen van verplichte zorg ‘beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘opnemen in een accommodatie’. Tevens is aan klaagster medegedeeld dat de zorgverantwoordelijke haar niet tot een redelijke waardering van zijn belangen (hierna: wilsonbekwaam) ten aanzien van deze vormen van verplichte zorg in staat acht.

Bij aanzeggingsbrief van 25 oktober 2022 is door de zorgverantwoordelijke aan klaagster medegedeeld dat op grond van artikel 8:9 Wvggz per die datum toepassing zal worden gegeven aan de vormen van verplichte zorg ‘toediening medicatie’ en ‘verrichten medische controles’. Voorts is aan klaagster medegedeeld dat de zorgverantwoordelijke haar ten aanzien van deze vormen van verplichte zorg wilsonbekwaam acht. 

Bij aanzeggingsbrief van 1 november 2022 is door de zorgverantwoordelijke aan klaagster medegedeeld dat op grond van artikel 8:9 Wvggz per die datum toepassing zal worden gegeven aan de vormen van verplichte zorg ‘insluiten’. Voorts is aan klaagster medegedeeld dat de zorgverantwoordelijke haar ten aanzien van deze vormen van verplichte zorg wilsonbekwaam acht.

Bij aanzeggingsbrief van 1 december 2022 is door de opvolgende zorgverantwoordelijke aan klaagster medegedeeld dat op grond van artikel 8:9 Wvggz per die datum toepassing zal worden gegeven aan de vormen van verplichte zorg ‘aanbrengen van beperkingen […] waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’. Voorts is aan klaagster medegedeeld dat de opvolgende zorgverantwoordelijke haar ten aanzien van deze vormen van verplichte zorg wilsonbekwaam acht.

De klacht en het standpunt van klaagster 

Klaagster stelt zich op het standpunt dat de vormen van verplichte zorg die haar op 25 oktober 2022, 1 november 2022 en 1 december 2022 zijn aangezegd niet hadden mogen en behoren te worden verleend. In de klachtbrief staat onder meer: 

“Op afdeling J. van C. heb ik veel verplichte zorg gekregen. Namelijk telefoon is afgepakt, dwangmedicatie depot terwijl ik de pillen niet weigerde, kamerprogramma gekregen en ik ben geplaatst op een gesloten afdeling en mocht niet naar buiten. Pas op een later moment ben ik overgeplaatst naar afdeling K. van C.. Ook een klacht tegen [de verpleegkundig specialist], begeleider van D. voor het plaatsen van mij in een GGZ-instelling terwijl dit nadrukkelijk zwart op wit was afgeraden. Ik ben daar fysiek bedreigd, aangerand, te hoge dosering medicatie gehad. Met alle gevolgen van dien en bijwerkingen heb ik meerdere trauma’s opgelopen”   

Schadevergoeding 

Naast voornoemde klachten vraagt klaagster de Commissie haar een schadevergoeding toe te kennen. Bij gegrondverklaring van haar klacht zal zij dit met een nieuw document onderbouwen. 

Het standpunt van verweerder

De zorgverantwoordelijke en de verpleegkundig specialist hebben namens de zorgaanbieder verweer gevoerd tegen de klachten. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat klaagster sinds 2018 is gediagnosticeerd met een psychotische stoornis waarvoor zij werd behandeld met aripiprazol in het L. en later, in het kader van een zorgmachtiging, bij B.. Een verzoek tot een aansluitende zorgmachtiging werd in mei 2022 door de rechtbank afgewezen omdat klaagster bereid was de behandeling vrijwillig te ondergaan. Na de zitting weigerde klaagster zich echter te laten behandelen, wat leidde tot een verslechterd toestandsbeeld. Op 25 oktober 2022 werd klaagster opnieuw opgenomen vanwege een onhoudbare thuissituatie. Gewekt door de overtuiging dat haar jongste kind op school zou worden misbruikt, was klaagster dreigend naar medewerkers van school, jeugdbescherming en familie. Ook bezocht zij haar kinderen tegen de afspraken in, hield hen vast en wilde ze met zich meenemen. Het ernstig nadeel dat klaagster als gevolg van haar stoornis veroorzaakte, kon niet ambulant worden afgewend. Op 25 oktober 2022 werd daarom door het FACT besloten om klaagster op te nemen. Bij aanvang van de opname was bij klaagster sprake van een sterk paranoid (psychotisch) toestandsbeeld op grond waarvan op 1 november 2022 gestart werd met aripiprazol per injectie aangezien klaagster orale medicatie in de dagen daarvoor weigerde. Bij het toedienen van de medicatie vertoonde klaagster echter dusdanig agressief gedrag jegens de medewerkers van de kliniek, dat klaagster moest worden ingesloten in haar verblijfsruimte, die vervolgens prikkelarm werd gemaakt. Nadat de medicatie toegediend was, bleef klaagster boos, dysfoor, hautain, eisend, aanvallend, splitsend en verbaal dreigend. Op 3 november 2022 kon de insluiting worden beëindigd. 

Gezien de agressie en het feit dat de kinderen onderdeel waren van klaagsters psychotische gedachten, werd haar verblijf in de kliniek beperkt tot de afdeling. De vrijheden werden op geleide van het beeld uitgebreid. 

Op 1 december 2022 werd ten aanzien van klaagster besloten om de mobiele telefoon in te nemen. In de beginperiode van de opname bleef klaagster eten en pakketjes bestellen, terwijl dat niet de bedoeling is. Ook heeft ze onder valse voorwendselen de arts gebeld. Na haar overplaatsing op 15 november 2022 naar de vrouwenafdeling bleek klaagster zorgwekkende filmpjes te hebben geplaatst op sociale media. Nadat met klaagster afspraken over het gebruik van haar mobiele telefoon konden worden gemaakt, kon de beperking weer worden opgeheven. Dat was op 2 december 2022. 

Overwegingen en oordeel

Algemeen 

De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een  (hier aan de orde zijnde) zorgmachtiging op grond van artikel 8:9 Wvggz beslissen tot het verlenen van verschillende vormen van verplichte zorg. 

Aan de uitvoering van verplichte zorg stelt de wet een groot aantal inhoudelijke en formele eisen. Uit artikel 3:3 en 3:4 van de Wvggz volgt dat verplichte zorg verleend kan worden indien het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel en: 

  1. er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn; 
  2. er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn; 
  3. het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg evenredig is; en 
  4. redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. 

De eerste uitvoeringsbeslissing van 25 oktober 2022 (opname in een accommodatie en beperking van de bewegingsvrijheid) 

Op grond van hetgeen klaagster ter zitting met betrekking tot de eerste uitvoeringsbeslissing naar voren heeft gebracht, begrijpt de Commissie de klacht zo dat klaagster voornamelijk klaagt over de wijze waarop zij door toedoen van de verpleegkundig specialist op 25 oktober 2022 werd opgenomen. 

De Commissie redeneert als volgt. 

Vooropgesteld wordt dat naar het oordeel van de Commissie de psychische stoornis van klaagster vaststaat. In de bij beschikking van 24 oktober 2022 verleende zorgmachtiging staat immers vermeld dat klaagster lijdt aan een psychisch stoornis, in de vorm van een chronisch psychotische stoornis, en dit wordt onderschreven door de toelichting van de zorgverantwoordelijke. De Commissie neemt deze vaststelling over. 

Ter zitting heeft de verpleegkundig specialist aangevoerd dat ten aanzien van klaagster op 25 oktober 2022, de dag na het uitspreken van de zorgmachtiging, is besloten tot opname. Op dat moment had de verpleegkundig specialist al op verschillende manieren geprobeerd contact op te nemen met klaagster. Reacties van klaagster daarop bleven echter uit. De verpleegkundig specialist zag daarom naar eigen zeggen geen andere mogelijkheid dan een bezoek te brengen aan de woning van klaagster om vervolgens vanuit daar de opname te organiseren. Tegen deze achtergrond bezien acht de Commissie het begrijpelijk en verdedigbaar dat de verpleegkundig specialist – nadat hij tevergeefs contact met klaagster had gezocht – ervoor gekozen heeft de opname vanuit het huisadres van klaagster te organiseren. Hoewel klaagster duidelijk een andere zienswijze heeft op de gebeurtenissen die de kern van haar klachten vormen, ziet de Commissie daarin onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van de verpleegkundig specialist te twijfelen. Ook gezien de houding van klaagster ten aanzien van de opname, acht de Commissie het eveneens te verdedigen dat klaagster vanuit veiligheidsoverwegingen met de psycholance naar de kliniek is overgebracht. Het bestaan van reële alternatieven is niet gebleken. Dit betekent dat de Commissie tot de slotsom komt dat de klacht tot dusverre ongegrond is. 

Voor zover klaagster tevens bedoeld heeft te klagen dat zij door toedoen van de verpleegkundig specialist in de kliniek is blootgesteld aan gevaar op onder meer fysieke bedreiging en aanranding, kan de verpleegkundig specialist – zo daar überhaupt sprake van is – naar het oordeel van de Commissie niet verantwoordelijk voor worden gehouden en kan de klacht niet leiden tot een gegrondverklaring. De Commissie zal op dit punt hieronder nog nader terugkomen. 

Tot slot heeft klaagster met betrekking tot de eerste uitvoeringsbeslissing aan de orde gesteld dat, naar de Commissie begrijpt, haar duidelijk en expliciet is medegedeeld dat klaagster ook met een zorgmachtiging thuis kon worden behandeld. Ter zitting overlegt klaagster een brief aan de Commissie waarin staat dat “deze verplichte zorg ook buiten een GGZ-instelling kan worden verleend.” Het woord “kan” impliceert naar het oordeel van de Commissie dat de zorgaanbieder niet verplicht is tot het verlenen van zorg buiten een GGZ-instelling. De klacht berust aldus op een onjuiste lezing van de brief. Bovendien is vanuit de zorgaanbieder voldoende overtuigend uiteengezet dat een behandeling met medicatie voor situaties waarin klaagster zich ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing begaf, niet in een ambulante setting kon plaatsvinden. Het nadeel waarvan op dat moment sprake was, was zodanig ernstig dat de veiligheid voor de zorgmedewerkers niet meer gewaarborgd kon worden. Bovendien bestond er bij klaagster onvoldoende bereidheid om mee te werken aan de behandeling. Hierdoor is de Commissie tevens van oordeel dat de beslissing zoals die op 25 oktober 2022 genomen is op goede gronden berust. De klachten ten aanzien van de eerste uitvoeringsbeslissing zullen derhalve ongegrond worden verklaard.

 

De tweede uitvoeringsbeslissing van 25 oktober 2022 (opname in een accommodatie en beperking van de bewegingsvrijheid) 

Met betrekking tot de tweede uitvoeringsbeslissing betoogt klaagster dat zij onnodig op een gesloten afdeling is geplaatst.

De Commissie redeneert als volgt.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor al is overwogen over het bestaan van een psychische stoornis staat voor de Commissie vast dat klaagster op 25 oktober 2022 in een psychotische toestand verkeerde en dat het daaruit voortvloeiend ernstig nadeel slechts met een opname kon worden afgewend. Gezien het geringe tijdsverloop tussen de eerste en tweede uitvoeringsbeslissing zal de Commissie over de noodzaak van een opname nu geen ander standpunt innemen. 

Op grond van de stukken en hetgeen partijen ter zitting over en weer hebben verklaard, kwalificeert de Commissie verder, in tegenstelling tot hetgeen klaagster hieromtrent naar voren heeft gebracht, gezien het toestandsbeeld waarin klaagster verkeerde, de inhoudelijke overwegingen omtrent de aan klaagster opgelegde beperking als passend. Hoewel klaagster van mening is dat zij eerder dan 15 november 2022 had moeten worden overgeplaatst naar de vrouwenafdeling (afdeling K.) heeft de zorgverantwoordelijke ter zitting genoegzaam toegelicht waarom klaagster niet eerder is overgeplaatst. Naar de Commissie begrijpt, was de behandeling allereerst gericht op stabilisatie van het toestandsbeeld. Pas bij voldoende stabilisering kon klaagster worden overgeplaatst. Dit betekent dat de klachten tegen de tweede uitvoeringsbeslissing ongegrond zullen worden verklaard.

De uitvoeringsbeslissing van 1 november 2022 

Klaagster heeft gesteld dat zij orale medicatie accepteerde en het daarom niet nodig was om de medicatie per injectie (depot) aan haar toe te dienen en dat bovendien de dosering te hoog was. Ook over de wijze waarop aan haar de medicatie toegediend is, wenst klaagster zich te beklagen. Ter zitting verklaart klaagster dat zij, ondanks het niet vertonen van enige vorm van verzet, door zes personen op harde wijze op bed is gepind en dat haar een prik in de bil is gegeven terwijl ze een natte dweil over het hoofd kreeg. Vervolgens werd zij ten onrechte in een kamerprogramma geplaatst. 

De Commissie redeneert als volgt. 

Voor wat betreft de klacht over de medicatie is de Commissie van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat klaagster in de dagen vanaf de opname tot 1 november 2022 orale medicatie weigerde. Klaagster heeft weliswaar eenmaal orale medicatie geaccepteerd, maar daarvan kan niet worden gezegd dat sprake was van een voldoende bestendige bereidheid om zich te laten behandelen met medicatie. De gekozen toedieningsvorm (per injectie) ontmoet bij de Commissie dan ook geen bezwaren. Ook is niet gebleken dat aan klaagster een te hoge dosering is toegediend nu blijkens de verklaring van de zorgverantwoordelijke een dagelijkse dosering van 10 mg een gangbare dosering is. 

Verder heeft klaagster zich beklaagt over de wijze waarop aan haar op 1 november 2022 medicatie werd toegediend. In het verweerschrift is naar voren gebracht dat klaagster in toenemende mate verbale agressie liet zien waarbij zij de instructies van de medewerkers niet opvolgde. Ter zitting wordt daaraan toegevoegd dat klaagster een of meerdere medewerkers in het gezicht spuugde en klaagster uitsluitend onder haar voorwaarde medicatie wilde. In verband met het te verwachten verzet is versterking gevraagd. Bezien vanuit het perspectief van klaagster acht de Commissie het voorstelbaar dat zij het handelen van de betreffende medewerkers als zeer ingrijpend en zelfs traumatisch ervaren heeft. Van aanranding, in de zin van het plegen van ontuchtige handelingen, is evenwel geen sprake geweest. Daarnaast zijn de Commissie geen omstandigheden gebleken die doen vermoeden dat aan klaagster op buitenproportioneel hardhandige wijze medicatie is toegediend. 

De Commissie is daarnaast van oordeel dat de beslissing om aan klaagster een kamerprogramma (insluiting) op te leggen op goede gronden berustte. De zorgverantwoordelijke heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de insluiting op de kamer noodzakelijk was gelet op het feit dat klaagster na het toedienen van de medicatie aanhoudend agressief en dreigend gedrag vertoonde, waardoor zij niet op een veilige manier benaderd kon worden en met haar geen afspraken konden worden gemaakt. Op 3 november 2022 kon het kamerprogramma worden beëindigd. Het is de commissie niet gebleken dat deze maatregel eerder dan 3 november kon worden beëindigd. 

De conclusie van het voorgaande is dat de klachten ongegrond zijn.

De uitvoeringsbeslissing van 1 december 2022. 

Tot slot heeft klaagster zich beklaagd over de inname van haar telefoon op 1 december 2022. Ter zitting bestrijdt klaagster de feiten op grond waarvan de opvolgende zorgverantwoordelijke besloten heeft de telefoon in te nemen. 

De commissie redeneert als volgt. 

In het verweerschrift, en ter zitting door de zorgverantwoordelijke nader toegelicht, is naar voren gebracht dat de afdeling waar klaagster op dat moment verbleef, vernomen had dat klaagster filmpjes  en berichten op sociale media had geplaatst met een zorgwekkende inhoud. Zo had klaagster in de status van WhatsApp geplaatst dat ze ‘blij was dat mijn dochter dood is’, waarvan mogelijk de dochter kennisgenomen heeft. Daarnaast had klaagster op TikTok een video, die in de kliniek opgenomen was, geplaatst waarin ze te kennen gaf blij te zijn dat er iemand overleden was. Hoewel klaagster ter zitting een en ander in een ander daglicht heeft geplaatst – zo was niet haar dochter maar haar grootvader overleden –  en heeft betoogd dat er aldus geen gegronde reden was om haar telefoon tijdelijk in te nemen, ziet de Commissie dit toch anders. De Commissie oordeelt dan ook dat de feiten en omstandigheden, zoals verwoord in het verweerschrift, voldoende aanleiding gaven voor de inname van de mobiele telefoon. Daarmee zal de Commissie de klacht daartegen dus eveneens ongegrond verklaren. 

Schadevergoeding

De Commissie komt niet toe aan het beoordelen van het verzoek tot schadevergoeding, nu de klachten van klaagster op alle onderdelen ongegrond verklaard worden. Het verzoek tot schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. 

De beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond; en
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af

De schriftelijke beslissing is op 24 januari 2024 aan betrokkenen verzonden. 

Deze beslissing is gegeven door X., voorzitter, X., lid psychiater en X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door X., ambtelijk-secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.