Ongegronde klacht over toediening van medicatie als vorm van verplichte zorg


Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 14 juni 2024, bij de Klachtencommissie binnengekomen op 17 juni 2024, met nummer 2406-84

Datum: 24 juni 2024

Inleiding

De Klachtencommissie (hierna: de Commissie) is op 24 juni 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A. tegen B. (zorgaanbieder) (hierna: verweerder), met nummer 2406-84.

De klacht gaat over het nakomen van een verplichting tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Aanwezig

Klager: de heer A.;

bijgestaan door: mevrouw C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp), vervanger van de heer D. (pvp).

Zorgaanbieder: Kliniek E., onderdeel van B., vertegenwoordigd door F., psychiater, waarnemer van regiebehandelaar mevrouw G., psychiater; en de heer H., arts.

Stukken

De Commissie heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. de klacht, binnengekomen op 17 juni 2024;
  2. de reactie van verweerder, binnengekomen op 20 juni 2024; en
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klager.

Samenvatting

De klacht houdt in dat klager zich verzet tegen de toediening van medicatie door verweerder. Ter zitting heeft de Commissie met klager vastgesteld dat de klacht niet ziet op de opname in een accommodatie. 
De Commissie komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken staat voor de Commissie het volgende vast. 

Uit de overhandigde stukken blijkt dat klager lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een manisch psychotische decompensatie. Klager was gedurende één nacht vrijwillig opgenomen op de J. van verweerder, maar weigerde aldaar de medicatie en zag de noodzaak van een opname niet meer in. Omdat zijn psychiatrisch toestandsbeeld ongewijzigd bleef dan wel verslechterde, en wegens de wens van klager om naar het buitenland te gaan, bleek vrijwillige zorg niet mogelijk te zijn. Bij beschikking van 6 juni 2024 heeft de burgemeester derhalve besloten voor klager een crisismaatregel te verlenen. Bij beschikking van 7 juni 2024 heeft de Rechtbank K. (hierna: de rechtbank) een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend voor de duur van drie weken, eindigend op 28 juni 2024. De crisismaatregel voorziet – onder andere – in het verplicht kunnen toedienen van medicatie.

Ten aanzien van de noodzaak van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel heeft de rechtbank overwogen dat de crisissituatie van klager dusdanig ernstig is dat een procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. 

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klager op 6 juni en 13 juni 2024 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. In de schriftelijke kennisgevingen is het toedienen van medicatie aangekruist als de aan hem te verlenen vorm van verplichte zorg. 

De behandelaar komt in deze beslissing verder tot het oordeel dat klager wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij nodig heeft wegens het ontbreken van ziektebesef en ziekte-inzicht.

De klacht en het standpunt van klager 

De klacht, zoals door klager beschreven in zijn klaagschrift en ter zitting door hem is toegelicht, houdt in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot verplichte toediening van medicatie.

Ter onderbouwing van deze klacht heeft klager ter zitting betoogd dat de gestelde diagnose onjuist is. Hij meent geen psychische stoornis te hebben, maar stelt dat zijn gedrag voortvloeit uit zijn geloofsovertuiging, te weten Winti. Hij wil dan ook geen olanzapine toegediend krijgen. Hij zou graag een afspraak willen maken met de Winti-deskundige. Verder stelt klager dat hij rust wenst te krijgen in zijn leven, waarbij slaapmedicatie hem mogelijk kan helpen. Later ter zitting stelt klager alsnog open te staan voor olanzapine.

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de Commissie verzocht de bestreden beslissing van de zorgaanbieder te schorsen. Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgaanbieder in zijn verweer voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing tot toediening van medicatie en de beslissing tot opname in een accommodatie niet kan worden geschorst. Deze vormen van zorg zijn nodig ter voorkoming van ernstig nadeel. De Commissie heeft dan ook geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen. Zie hierover de aparte beslissing van de Commissie van 18 juni 2024 over het afwijzen van het schorsingsverzoek.

Het standpunt van verweerder

De behandelaren – mevrouw G. en de heer H. – stellen in het verweerschrift dat het medisch noodzakelijk is om klager een antipsychoticum toe te dienen om de manie met psychotische kenmerken van klager zo snel mogelijk te behandelen. In eerste instantie is gestart met haloperidol, maar doordat klager bijwerkingen (slaapproblemen) ervaarde is de haloperidol naar de ochtend verplaatst. Klager bleef dit antipsychoticum echter weigeren, wat resulteerde in een toename van manische symptomen. Hierop is besloten om – naar wens van klager – over te gaan op de verstrekking van olanzapine. Voorafgaande manische episoden zijn tijdens vorige opnames ook succesvol behandeld met olanzapine. Tot op heden neemt klager deze medicatie in, maar de inname is niet consistent. 

Ter zitting lichten mevrouw F. en de heer H. verder toe dat het gedrag van klager niet alleen te verklaren is vanuit Winti, maar ook vanuit ‘Westerse’ geneeskunde. Volgens hen is sprake van een psychische stoornis. Dit is ook geverifieerd bij de dochter van klager en de eerste contactpersonen. De behandelaren hebben voorgesteld om een afspraak in te plannen bij de Winti-deskundige binnen de kliniek, zodat vastgesteld kan worden of het gedrag van klager hieruit voortvloeit. De behandelaren geven aan dat verweerder een tweesporenbeleid voert, wat inhoudt dat klager voor zowel de psychische stoornis behandeld wordt als – indien vastgesteld wordt dat het gedrag van klager tevens voortvloeit uit Winti – begeleiding dan wel behandeling krijgt voor Winti. 

Overwegingen en oordeel

Wettelijk kader

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of een zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – kort samengevat – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in artikel 8:9 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de Commissie als volgt. 

De Commissie heeft allereerst vastgesteld dat er een geldige machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel is die voorziet in de door de zorgverantwoordelijke toe te passen vorm van verplichte zorg, en dat klager, conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd, geïnformeerd is over de gedwongen behandeling met medicatie.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat klager lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een manisch psychotische decompensatie. Hoewel klager de stoornis ontkent, heeft de Commissie geen reden te twijfelen aan deze op een medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. Daarnaast staat voor de Commissie vast dat het gedrag van klager als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klager zorg nodig. 

De Commissie is verder van oordeel dat de behandelaren in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder toediening van antipsychotische medicatie kan worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en effectief is. Klager heeft de Commissie er niet van kunnen overtuigen dat olanzapine ten onrechte wordt voorgeschreven. Het valt niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstig nadeel kan wegnemen. Hierbij merkt de Commissie op dat zij van klager heeft begrepen dat hij last heeft gehad van (nare) bijwerkingen van de haloperidol. De behandelaren hebben rekening gehouden met de wensen en voorkeuren van klager door te starten met olanzapine. Een minder belastend alternatief voor klager is dus reeds ingezet. De Commissie heeft verder van de behandelaren begrepen dat zij een afspraak gaan inplannen met de Winti-deskundige binnen de kliniek. De toediening van olanzapine staat volgens de Commissie in ieder geval niet in de weg aan een mogelijke vaststelling dat het gedrag van klager ook voortvloeit uit Winti.

Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is op 25 juni 2024 telefonisch aan betrokkenen meegedeeld. 

De schriftelijke beslissing is op 2 juli 2024 aan betrokkenen verzonden. 

De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door de heer X., voorzitter, mevrouw X., lid psychiater en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door mevrouw X., ambtelijk-secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.