Ongegronde klacht over toediening medicatie en besluit wilsonbekwaamheid


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken   

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van mevrouw A., gedateerd 12 december 2023, door de

Klachtencommissie ontvangen op 13 december 2023, nummer 2312-154

Datum: 2 januari 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 2 januari 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van mevrouw A., tegen B., gedateerd 12 december 2023.

Het betreft een procedure op grond van artikel 10:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Aanwezig

Klaagster: mevrouw A. (hierna klaagster);

bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp). 

Zorgaanbieder: B., vertegenwoordigd door de heer D., psychiater; 

mevrouw E., arts;

tevens waren een arts en verpleegkundige aanwezig. 

Stukken

De klachtencommissie, hierna te noemen de Commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift, gedateerd 12 december 2023;
  2. het verweerschrift, gedateerd 21 december 2023;
  3. gegevens uit het (medisch/verpleegkundig) dossier van klaagster.

Samenvatting

De klacht houdt samengevat in dat klaagster zich niet kan vinden in het besluit gedateerd 7 december 2023 tot toediening van medicatie als vorm van verplichte zorg. Haar bezwaren richten zich ook tegen het feit dat zij in die beslissing wilsonbekwaam ter zake van behandeling wordt geacht.

Ter zitting is gebleken dat tussen klaagster en haar behandelaren naar eigen zeggen als ook volgens de behandelaren inmiddels een goede samenwerking is ontstaan. Klaagster vindt ook dat het aanzienlijk beter met haar gaat. Klaagster heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat zij haar klachten wel handhaaft. Zij accepteert de voorgeschreven medicatie uitsluitend omdat onder andere voor die vorm verplichte zorg een machtiging is afgegeven. 

De Commissie komt alles afwegende tot het oordeel dat beide klachtonderdelen ongegrond zijn. 

De feiten en omstandigheden

De Commissie gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de volgende feiten en omstandigheden. 

In de beschikbare gegevens is vermeld dat klaagster bekend is met een bipolaire stemmingsstoornis en dat zij sinds 1974 meerdere decompensaties heeft doorgemaakt waarna zij (gedwongen) opgenomen is geweest. Tussen 2018 en 2023 was sprake van een stabiel toestandsbeeld en een goede samenwerking met haar ambulante behandelaren. Sinds september 2023 is sprake van een manisch-psychotische decompensatie. Klaagster  is toen op grond van een crisismaatregel (hierna CM) opgenomen in Kliniek F. van B. De CM werd niet bekrachtigd omdat klaagster aangaf bereid te zijn op vrijwillige basis mee te werken. Klaagster ging vervolgens echter tegen advies met ontslag. Zij was nog niet stabiel en zij nam de voorgeschreven medicatie niet meer volgens voorschrift in. Hierna is zij verder manisch gedecompenseerd. Vervolgens is klaagster in de nacht van 6 op 7 november 2023 op grond van een CM opgenomen in Kliniek G. van B..

Ten aanzien van de noodzaak tot verplichte zorg wordt vermeld dat sprake is (geweest) van verbale en fysieke agressie naar anderen, (im)materiële schade en gevaar voor haarzelf als gevolg van slechte zelfzorg. Verder is het ernstig nadeel gelegen in het gevaar op maatschappelijke teloorgang. 

Bij beschikking van 8 december 2023 heeft de Rechtbank H. (hierna: de rechtbank) ten aanzien van klaagster een ZM verleend voor de duur van zes maanden voor – onder andere – het toedienen van medicatie.  

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klaagster op 7 december 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg. In de schriftelijke kennisgeving is onder andere ‘het toedienen van medicatie’ aangekruist als de aan haar te verlenen vorm van verplichte zorg.  

De behandelaar komt in deze beslissing verder tot het oordeel dat klaagster  wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die zij nodig heeft. Er is op dit moment geen wettelijk vertegenwoordiger. B. zal zoeken naar een passend wettelijk vertegenwoordiger.   

De klacht

Klaagster verzet zich tegen het besluit van de instelling tot:

1) toediening van medicatie

2) wilsonbekwaamheid 

Schorsingsverzoek 

Klaagster heeft de Commissie verzocht de bestreden beslissing van de zorgaanbieder te schorsen. Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgaanbieder vervolgens voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing tot toediening van medicatie niet geschorst kan worden ter voorkoming van ernstig nadeel. De Commissie heeft dan ook geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen en heeft daarop in een aparte beslissing, gedateerd 19 december 2023, het schorsingsverzoek afgewezen.

Schadevergoeding

Klaagster wenst een schadevergoeding te ontvangen. Bij gegrondverklaring van de klacht zal zij dit met een nieuw document onderbouwen.

Het standpunt van klaagster

Klaagster zegt het niet eens te zijn met de gedwongen behandeling met medicatie en met het feit dat zij wilsonbekwaam is beoordeeld.

Ad 1) 

Ter toelichting merkt klaagster op dat zij geen bipolaire stemmingsstoornis heeft. Als er bij haar al sprake is van klachten, dan zijn deze het gevolg van een trauma. Klaagster is dan ook van oordeel dat zij veel meer gebaat is bij gesprekken met een psycholoog. Dit heeft zij al vaker aangegeven maar er wordt niet naar haar geluisterd. Zij heeft in ieder geval geen antipsychotische medicatie nodig.

Klaagster licht verder toe dat zij al 50 jaar natuurmiddelen gebruikt. Deze middelen ondersteunen haar en daar voelt zij zich goed bij. Zij wil geen chemisch product, dit is namelijk van slechte invloed op haar welzijn. Zij respecteert het dat haar behandelaren kennelijk anders over het effect van natuurproducten denken, maar het is een feit dat zij nare bijwerkingen van de medicatie ondervindt en niet van de natuurproducten. Zo heeft zij sinds de start van de antipsychotische medicatie pijn en last van oedeem aan haar rechterbeen en voet. Daarnaast is er iets in haar buik wat niet in orde voelt. In overleg met haar arts, mevrouw E., gaat zij dit binnenkort nader laten onderzoeken bij een gynaecoloog. In dit kader merkt klaagster op dat zij redelijk op één lijn zit met de arts. De arts ziet gelukkig ook dat het goed met klaagster gaat en zij krijgt steeds meer vrijheden. Zij bereiken alleen geen overeenstemming over de medicatie. 

Klaagster voegt hier aan toe dat zij in de kliniek heeft geleerd dat zij meer over eventuele klachten en gevoelens die zij heeft kan praten. Dat lucht haar op en zal haar in de toekomst verder helpen. 

Klaagster zegt verder desgevraagd dat op het moment dat zij naar huis mag, zij de antipsychotische medicatie niet vrijwillig zal innemen. Het enige dat zij eventueel wil blijven gebruiken, naast de natuurmiddelen, is Tegretol.

Ad 2)

Klaagster merkt op dat zij niet wilsonbekwaam is. Zij heeft altijd al haar eigen zaken geregeld en zij doet dit nu ook vanuit de kliniek. Klaagster weet daarnaast zelf wat goed voor haar is. Dat zij door de zorgverantwoordelijke wilsonbekwaam is verklaard, is daarom niet terecht. 

Klaagster heeft tot slot herhaald dat het goed met haar gaat. Zij wil graag zo spoedig als mogelijk naar huis. 

Het standpunt van verweerder

De behandelaars hebben zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat (het toedienen van) medicatie volstrekt noodzakelijk is ter afwending van ernstig nadeel en dat klaagster op het moment dat de beslissing hierover werd genomen wilsonbekwaam was ter zake. Het navolgende is aan dit standpunt ten grondslag gelegd. 

Ad 1)

Klaagster is op 6 november 2023 gedwongen opgenomen in Kliniek G.. Klaagster is op de afdeling herstellende van een manisch-psychotische ontregeling. Vanaf het begin van de opname zijn door de behandelaren van klaagster diverse gesprekken met haar gevoerd over de noodzaak tot het medicamenteus behandelen van de manie. Dit om weer de langdurige stabiliteit te verkrijgen, die klaagster voor de opname kende. Er is in eerste instantie gekozen voor cisordinol omdat dit in de voorgeschiedenis van klaagster bewezen effectief is gebleken voor stabilisatie van haar toestandsbeeld.  Klaagster gaf echter al snel aan dat zij graag een ander middel wilde, te weten haldol. Aan deze wens werd gehoor  gegeven, waarna dit middel werd voorgeschreven. Vervolgens bleek dat klaagster ambivalent was in de bereidheid om de aangeboden haldolmedicatie te nemen, met name toen haar werd voorgesteld de dosering te verhogen omdat de haldolmedicatie naar het oordeel van verweerder onvoldoende effect had. Omdat geen overeenstemming met klaagster kon worden bereikt hebben haar behandelaren besloten over te gaan tot het aanzeggen van verplichte zorg in de vorm van toediening van cisordinol. Volgens verweerder had dit middel gezien het dossier in het verleden steeds goede effecten gehad. Ten aanzien van de bijwerking van de medicatie is opgemerkt dat de klachten serieus zijn genomen. Er is onderzoek gedaan naar de oorzaak van het oedeem en er is uitleg gegeven over het feit dat het minder waarschijnlijk is dat dit een bijwerking zou zijn van de cisordinol. 

Overeenkomstig artikel 8:9 Wvggz is klaagster op 7 december 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk geïnformeerd over de beslissing om over te gaan tot verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie. 

Ad 2)

De behandelaren hebben ter zitting toegelicht dat het klaagster, op het moment van de beslissing tot het verlenen van verplicht zorg, ontbrak aan ziektebesef en ziekte-inzicht. Dit is dan ook de reden dat zij wilsonbekwaam is verklaard ter zake. 

Overwegingen en oordeel

Ad 1) Ten aanzien van de toediening van medicatie

Klaagster stelt zich, gelet op de inhoud van het klaagschrift en de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de Commissie begrijpt, op het standpunt dat zij het niet eens is met de beslissing dat zij een gedwongen behandeling met antipsychotische medicatie aangezegd heeft gekregen.  

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, niettemin op grond van een rechterlijke beslissing verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in de Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de Commissie als volgt. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de Commissie gebleken dat klaagster lijdt aan een psychische stoornis. De Commissie heeft begrepen dat klaagster het niet eens is met deze diagnose. De Commissie heeft echter geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose, die ook door een onafhankelijk psychiater in de medische verklaring tijdens de procedure tot voorbereiding van de zorgmachtiging is vastgesteld. 

De rechtbank heeft bij afgifte van de zorgmachtiging al geoordeeld dat er sprake is van ernstig nadeel, te weten gevaar voor haarzelf, gevaar voor anderen, (im)materiële schade en  maatschappelijke teloorgang indien geen verbetering in het toestandsbeeld van klaagster optreedt. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klaagster volgens de rechtbank zorg nodig. Bij de beoordeling van de klacht moet de commissie beoordelen of er voor de behandelaar voldoende gronden waren om tot uitvoering van verplichte zorg over te gaan. De commissie komt dan tot het oordeel dat de zorgverantwoordelijke in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder een behandeling met antipsychotische (depot)medicatie kan worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. Zo is in het verleden al gezien dat een behandeling met cisordinol-medicatie  een goed effect heeft (gehad) op het toestandsbeeld van klaagster. Het valt verder niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstig nadeel kan wegnemen. Bij de keuze van het middel heeft de behandelaar voor zover mogelijk ook rekening gehouden met de wensen en voorkeuren van betrokkene. De bezwaren van klaagster tegen het middel cisordinol zijn door verweerder ook serieus genomen met dien verstande dat het onderzoek van verweerder tot de conclusie heeft geleid dat een verband tussen deze medicatie en het oedeem niet waarschijnlijk is.

Tot slot is klaagster conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd geïnformeerd over de (voorgenomen) gedwongen behandeling met (depot)medicatie. 

 Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat dit onderdeel van de klacht  ongegrond moet worden verklaard.  

Ad 2) Ten aanzien van de vaststelling van wilsbekwaamheid 

In de Wvggz is tot uitdrukking gebracht dat er evenveel waarde gehecht wordt aan de eigen mening en instemming van een wilsbekwaam persoon met een psychische stoornis als aan die van een wilsbekwaam persoon zonder stoornis. Het al dan niet bestaan van wilsbekwaamheid moet zo veel als mogelijk worden beoordeeld per concrete beslissing, waarbij het uitgangspunt is dat betrokkene wilsbekwaam is. Het gaat dan om de actuele vermogens van betrokkene en of zij de relevante informatie kan verwerken die voor het nemen van een beslissing van belang is en of hij de gevolgen van die beslissing kan overzien. 

Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgverantwoordelijke voldoende aannemelijk gemaakt dat, anders dan door klaagster is betoogd, zij ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing niet in staat kon worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake de in die beslissing opgenomen vormen van verplichte zorg en dat aldus haar geestelijke vermogens op dat moment onvoldoende waren in relatie tot het nemen van een beslissing tot zorg. 

De commissie acht het klachtonderdeel ongegrond. 

Hier voegt de Commissie tot slot aan toe dat zij tijdens de zitting heeft kunnen constateren, en dat door de behandelaren is bevestigd, dat het gelukkig nu veel beter met klaagster gaat. 

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart beide klachtonderdelen ongegrond.

De beslissing is  op 3 januari 2024 telefonisch aan alle betrokkenen meegedeeld. 

De schriftelijke beslissing is op 10 januari 2024 aan betrokkenen verzonden.

De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door de heer X., voorzitter, mevrouw X., lid, psychiater en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door mevrouw X., secretaris-jurist.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de (oorspronkelijke) beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.