Ongegronde klacht over opname, medicatie en beperking van de bewegingsvrijheid als vormen van verplichte zorg


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klachten van de heer A., gedateerd 2 en 10 april 2024, ontvangen

op 2 en 10 april 2024, nummer 2404-44

Datum: 15 april 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 15 april 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klachten van de heer A., (hierna: klager) tegen zorgaanbieder B., (hierna: de zorgaanbieder, ook de verweerder). 

De klacht gaat over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Aanwezig

Klager: de heer A.; 

Bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon. 

Zorgaanbieder: B., locatie D., vertegenwoordigd door 

mevrouw E., psychiater en mevrouw F., arts.

Stukken

De klachtencommissie (hierna: de Commissie) heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. de klaagschriften, ontvangen op 2 en 10 april 2024;
  2. het verweerschrift van 10 april 2024 van mevrouw E., ontvangen op 10 april 2024;
  3. stukken uit het (medisch) dossier. 

Samenvatting

De klacht houdt in dat klager zich niet kan vinden in de beslissing tot en uitvoering van verplichte zorg in de vorm van opname, medicatie en beperking van de bewegingsvrijheid. De Commissie komt alles afwegende tot het oordeel dat de klachten ongegrond zijn. 

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. 

De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken staat voor de Commissie het volgende vast. 

Uit de overhandigde stukken blijkt dat klager gediagnosticeerd is met een psychische stoornis, in de vorm van schizofrenie. Daarnaast zou er sprake zijn van een stoornis in het gebruik van cannabis. 

Bij mondelinge beschikking van 4 april 2024 heeft de rechtbank G. (hierna: de rechtbank) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van zes maanden. De rechter heeft vastgesteld dat de stoornis van klager leidt tot ernstig nadeel. De zorgmachtiging bepaalt dat de zorgverantwoordelijke zo nodig verschillende vormen van verplichte zorg mag inzetten, waaronder ‘het toedienen van medicatie’, gedurende zes maanden en ‘opname in een accommodatie´ en ‘beperken van de bewegingsvrijheid’  gedurende zes maanden, telkens voor een periode van maximaal drie maanden per toepassing. 

Ter uitvoering van voornoemde beschikking verblijft klager sinds 15 maart 2024 bij de zorgaanbieder, locatie D. te H.

Via de beslissing van 15 maart januari 2024 is door de zorgverantwoordelijke aan klager medegedeeld dat per die datum toepassing zal worden gegeven aan de volgende vormen van verplichte zorg, te weten ‘toediening medicatie’, ‘beperking van de bewegingsvrijheid’ en ‘opneming  in een accommodatie’. Dit is gebeurd op grond van artikel 8:9 Wvggz. 

Verder is aan klager medegedeeld dat de zorgverantwoordelijke hem ten aanzien van deze vormen van verplichte zorg wilsonbekwaam acht.

De klacht 

Klager heeft klachten ingediend over de toepassing van verplichte zorg in de vorm van ‘toediening medicatie’, ‘beperking van de bewegingsvrijheid’ en ‘opneming in een accommodatie’ die hem op 15 maart 2024 schriftelijk zijn aangezegd.

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de Commissie verzocht de beslissing tegen de ‘toediening medicatie’ te schorsen. Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgaanbieder voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing tot toediening van medicatie niet geschorst kan worden ter voorkoming van ernstig nadeel. De Commissie heeft dan ook geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen en heeft daarop in een aparte beslissing, gedateerd 3 april 2024, het schorsingsverzoek afgewezen.

Schadevergoedingsverzoek

Klager wenst een schadevergoeding te ontvangen voor de beslissing waarmee hij het niet eens is. Bij gegrondverklaring van de klacht zal hij dit verzoek om schadevergoeding met een nieuw document onderbouwen.

Het standpunt van klager 

Klager betwist het bestaan van een psychische stoornis en stelt zich op het standpunt dat ten onrechte uitvoering gegeven is aan de vormen van (tijdelijk) verplichte zorg die hem op 15 maart 2024 schriftelijk door de zorgverantwoordelijke zijn aangezegd. Daartoe heeft klager het volgende aangevoerd. 

Ten aanzien van de opname en de medicatie heeft klager opgemerkt dat hij beide niet wil en dat deze niet nodig zijn. Hij heeft in het verleden goed gefunctioneerd zonder medicatie. De vermeende incidenten die worden beschreven en die kennelijk aanleiding waren voor zijn opname, zijn volgens klager daarenboven gebeurtenissen die verkeerd zijn geïnterpreteerd. Hij herkent zich er dan ook niet in zoals deze staan beschreven. Zo is hij nooit (be)dreigend geweest jegens zijn buren en ook overigens was er geen sprake van psychotisch gedrag.

In aansluiting hierop heeft klager opgemerkt dat, aangezien een opname gepaard gaat met een medicamenteuze behandeling, hij dat niet wil. Een behandeling met medicatie heeft namelijk tot gevolg dat een wisselwerking optreedt met zijn huidziekte. Klager krijgt dan last van eczeem. Drie à vier jaar geleden is dit volgens klager allemaal besproken met zijn huidarts, de huisarts, de psychiater en de geneesheer-directeur. Volgens klager is toen besloten dat hij geen medicatie meer zou krijgen omdat erkend werd dat zijn eczeem hierdoor verergerde. Nadat de medicatie gestopt was ging het, zoals hij hierboven reeds heeft aangegeven, goed met hem en zijn eczeem was toen bijna onder controle. Hieruit blijkt volgens klager niet alleen dat het dan beter gaat met zijn huidziekte, maar ook dat hij zonder medicatie goed kan functioneren. Dit is toen ook bevestigd door de rechtbank J. aangezien de zorgmachtiging toen niet is afgegeven. Nu hij hier in de kliniek ten onrechte is opgenomen en weer medicatie krijgt, is het eczeem helaas weer teruggekomen. Hierdoor voelt hij zich erg naar en oncomfortabel. 

In het verlengde hiervan heeft klager opgemerkt dat als zijn behandelaren toch willen dat hij medicatie neemt, hij wel zou kunnen instemmen met orale medicatie. Hij wil echter niet, zoals nu, dat hij de voorgeschreven medicatie via een injectie krijgt. Hij speelt gitaar en hij heeft er last van als het in zijn arm wordt gespoten. Hij wil ook niet dat het in zijn been of bil wordt gespoten omdat hij daar ook hinder van ondervindt. 

Verder heeft klager opgemerkt dat hij al veel te lang en streng beperkt wordt in zijn bewegingsvrijheid. Hij is een man van xx die gewoon zelf buiten de deur dingen wil kunnen regelen. Nu moet hij iedere keer aan een begeleider vragen of deze met hem mee gaat, bijvoorbeeld naar een opticien. En hij vindt het erg vervelend dat hij overdag niet zelfstandig naar zijn huis kan gaan. Klager wil dan ook graag meer vrijheden. Het feit dat hij in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt roept ook spanningen bij hem op.

De pvp heeft toegevoegd dat klager bestrijdt dat hij antipsychotische medicatie nodig heeft. Hij stelt immers geen psychotische klachten te hebben. Volgens de pvp omschrijft klager zijn gedrag als geagiteerd. In de kliniek is hier sprake van nu klager, zoals hij zelf heeft aangegeven, bijna niet zelfstandig naar buiten mag. Tot slot heeft de pvp aangegeven dat klager graag snel met ontslag wil en dat hij na zijn ontslag open staat voor contact met een FACT-team. 

Het standpunt van verweerder

Verweerder verwijst naar de de overhandigde gegevens: klager is bekend met schizofrenie en middelengebruik waarvoor hij in het verleden is behandeld met medicatie. De medicatie is conform de wens van klager vanaf 2022 afgebouwd. Tot mei 2023 was klager in zorg bij het FACT. Klager is uit zorg gegaan nadat zijn zorgmachtiging niet werd verlengd door de rechter en er geen hulpvraag was.

In het verweerschrift staat verder beschreven dat klager in maart 2024 in beeld is gekomen bij K., wegens geluidsoverlast, het gooien van fietsen van de buren en het bedreigen van de buren met een mes. Bij beoordeling werd een psychotische man gezien met paranoïde wanen richting de buren en een dysfore houding. Bij opname in de kliniek verbleef hij wegens oplopende spanning een kleine week in een EBK (extra beveiligde kamer). Er was op dat moment sprake van afdelingsontwrichtend gedrag (bedreigen en denigreren van vrouwelijke medewerkers), fysieke agressie richting materiaal (slaan met deuren) en een maximale score (5) op de Broset Violence Checklist (checklist voor incidenten binnen 24 uur). In de EBK is er meermaals ingegrepen met cisordinol-acutard. Hierna nam de geladen houding en dreiging af en kon klager uit de EBK. Momenteel is volgens verweerder de psychotische toestand grotendeels in remissie, behoudens het ontbrekend ziektebesef. Sinds 16 april 2024 is gestart met begeleide vrijheden. Daarnaast is onlangs bekend geworden dat klager in zorg kan worden genomen door het FACT L., waardoor een ZAG ingepland kan worden en plannen gemaakt kunnen worden richting ontslag.

Ten aanzien van de medicatie en de mogelijke invloed daarvan op de klachten in verband met eczeem merkt verweerder op dat hierover contact is geweest met de dermatoloog van klager. Er is besproken dat antipsychotica in zijn algemeenheid effect kunnen hebben op het eczeem van klager. De dermatoloog heeft daarnaast vanuit zijn deskundigheid aangegeven dat er geen bezwaar was tegen, of een voordeel van een specifiek type antipsychoticum. 

Verweerder benadrukt ten aanzien van het verzoek van klager om andere medicatie voorgeschreven te krijgen dat zijn behandelaren hier altijd met klager over in gesprek willen. Er is echter gemotiveerd uitgelegd waarom zijn behandelaren op dit moment nog niet akkoord gaan met de door klager gewenste orale medicatie. Daarnaast willen zijn behandelaren na het ontslag van klager nog enige tijd depotmedicatie blijven toedienen om de bereikte stabiliteit te behouden. 

Ten aanzien van de beperking van de bewegingsvrijheid is opgemerkt dat klager sinds 15 april 2024 een half uur per dag onbegeleid naar buiten mag. Daarvoor was het niet mogelijk om hierover met klager afspraken te maken. Het vermoeden bestond dat klager dan mogelijk niet terug zou komen naar de kliniek en zich zou onttrekken aan de uitvoering van de zorgmachtiging. Het risico dat klager dan naar huis zou gaan en weer in conflict zou komen met zijn buren en daardoor zijn huis zou kunnen verliezen werd toen als te groot ingeschat. Nu het beter met klager gaat is zullen zijn vrijheden, op geleide van zijn toestandsbeeld, verder kunnen worden uitgebreid. 

Beoordeling 

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, niettemin op grond van een rechterlijke beslissing verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat -kort samengevat- het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in artikel 8:9 van de Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de Commissie als volgt. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de Commissie gebleken dat klager lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie, De Commissie heeft begrepen dat klager het niet eens is met deze diagnose. De Commissie heeft echter geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose, die ook door een onafhankelijk psychiater in de medische verklaring tijdens de procedure tot voorbereiding van de zorgmachtiging is vastgesteld. 

De rechtbank heeft verder bij de afgifte van de zorgmachtiging al geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel. In de medische verklaring wordt dit omschreven als het risico op ‘levensgevaar en ernstig lichamelijk letsel voor anderen door fysieke agressie, psychische schade voor anderen, het risico agressie over zich af te roepen en maatschappelijke teloorgang’ indien geen verbetering in het toestandsbeeld van klager optreedt. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klager volgens de rechtbank zorg nodig. 

Bij de beoordeling van de klacht moet de Commissie beoordelen of er voor de behandelaar voldoende gronden waren om tot uitvoering van de verplichte zorg over te gaan. 

Voor wat betreft de beslissing tot opname is naar het oordeel van de Commissie door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat een opname geïndiceerd was en nog is.

De Commissie is hetzelfde oordeel toegedaan met betrekking tot de klacht tegen de medicatie. Naar het oordeel van de Commissie heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de toediening van (depot)medicatie noodzakelijk is om het toestandsbeeld van klager te verbeteren. Klager heeft de Commissie uitgelegd dat hij klachten ondervindt van de medicatie zoals eczeem. De Commissie ziet dat de behandelaren daaraan wel aandacht hebben gegeven. Zij hebben contact opgenomen met de dermatoloog om te verifiëren of deze vanuit zijn deskundigheid nadelen ziet van de medicatie ten aanzien van de klachten van klager in verband met eczeem. De dermatoloog heeft aangegeven geen bezwaren te zien. Voor zover er een verband zou zijn tussen de eczeemklachten en de medicatie hebben de behandelaren volgens de Commissie voldoende onderbouwd dat mogelijke nadelige effecten van de medicatie opwegen tegen het voordeel, te weten dat de psychotische toestand grotendeels in remissie is (gekomen). Daarnaast kan de Commissie zich vinden in de uitleg van de verweerder dat depotmedicatie op dit moment (nog) geïndiceerd is. 

Voor wat betreft de beperking van de bewegingsvrijheid is de Commissie ervan overtuigd geraakt dat deze beperking noodzakelijk was en is om het risico op ernstig nadeel te voorkomen. Zo was het gezien het toestandsbeeld van klager niet mogelijk om afspraken met hem te maken en bestond het gevaar dat er zich (opnieuw) problemen zouden voordoen in de thuissituatie van klager. Bovendien heeft de Commissie begrepen dat de vrijheden verder zullen worden uitgebreid zodra het toestandsbeeld van klager dit toelaat. 

Verder is de Commissie van oordeel klager conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd is geïnformeerd over de gedwongen behandeling. 

Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat alle onderdelen van de klacht  ongegrond moeten worden verklaard.

Schadevergoeding

De Commissie komt niet toe aan het beoordelen van het verzoek tot schadevergoeding, nu de klachten van klager ongegrond verklaard worden. Het verzoek tot schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. 

De beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af. 

De beslissing is op 16 april 2024 mondeling medegedeeld aan partijen.

De schriftelijke beslissing is op 22 april 2024 aan partijen verzonden. 

Deze beslissing is gegeven door de heer X., voorzitter, mevrouw X., lid psychiater en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door mevrouw X., secretaris jurist.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.