Ongegronde klacht over meerdere vormen van verplichte zorg


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken  

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van mevrouw A., gedateerd 21 februari 2024, 

binnengekomen op 21 februari 2024, nummer 2402-25

Datum: 4 maart 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 4 maart 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van mevrouw A. (hierna ook: klaagster) tegen B. (hierna ook: de zorgaanbieder, tevens verweerder). 

De klacht gaat over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Aanwezig en gehoord:

Klaagster: mevrouw A.; 

Bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon. 

Zorgaanbieder: B.,  

vertegenwoordigd door de heer D., arts. 

Door de klachtencommissie is geen tolk opgeroepen. Op (voorafgaand) verzoek van klaagster is de zitting – zonder tolk-  in de Engelse taal gehouden.

Stukken

De Klachtencommissie (hierna: de Commissie) heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. de klacht, ingekomen op 21 februari 2024; en
  2. de reactie op de klacht, met bijlagen, ingekomen op 27 februari 2024. 

Samenvatting

Gedurende de zorgmachtiging zijn ten aanzien van klaagster meerdere vormen van verplichte zorg toegepast. Volgens klaagster was dat niet nodig.  De Commissie oordeelt dat de klachten ongegrond zijn. Er is in voldoende mate gebleken dat de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg voldoet aan de vereisten van de Wvggz. 

De feiten en omstandigheden

Aan het dossier ontleent de Commissie het volgende.

Bij beschikking van 27 juni 2023 heeft de rechtbank E. een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van 12 maanden, aldus tot en met uiterlijk 27 juni 2024. De zorgmachtiging bepaalt dat de zorgverantwoordelijke zo nodig verschillende vormen van verplichte zorg mag inzetten, waaronder ‘het toedienen van medicatie’, ‘het beperken van de bewegingsvrijheid gedurende 12 maanden telkens voor maximaal 3 maanden per keer’ en ‘het opnemen in een accommodatie gedurende 12 maanden telkens voor maximaal 3 maanden per keer’. 

In de zorgmachtiging is tevens vastgesteld dat klaagster lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen.   

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in: 

  • ernstige verwaarlozing; 
  • maatschappelijke teloorgang; en 
  • de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept. 

Ter uitvoering van voornoemde beschikking verblijft klaagster sinds 26 januari 2024 bij de zorgaanbieder, locatie F. te E.. 

Via een aanzeggingsbrief van 26 januari 2024 is door de zorgverantwoordelijke aan klaagster medegedeeld dat per die datum toepassing zal worden gegeven aan de vormen van verplichte zorg ‘toediening medicatie’, ‘beperking van de bewegingsvrijheid’ en ‘opneming  in een accommodatie’. Dit is gebeurd op grond van artikel 8:9 Wvggz. Voorts is aan klaagster medegedeeld dat de zorgverantwoordelijke haar ten aanzien van deze vormen van verplichte zorg wilsonbekwaam acht.

De klacht 

Klaagster heeft klachten ingediend over de toepassing van verschillende vormen van verplichte zorg die haar op 26 januari 2024 schriftelijk zijn aangezegd. 

Schorsingsverzoek 

Klaagster heeft de Commissie verzocht de beslissing waartegen de klacht is gericht, te schorsen. De Commissie heeft op 23 februari 2024 het schorsingsverzoek afgewezen. 

Het standpunt van klaagster 

Klaagster stelt zich op het standpunt dat ten onrechte uitvoering gegeven is aan de vormen van verplichte zorg ‘toediening medicatie’, ‘beperking van de bewegingsvrijheid’ en ‘opneming in een accommodatie’. Hiertoe voert zij – samengevat – het volgende aan. Klaagster heeft veel last van negatieve bijwerkingen van de medicatie, zoals duizeligheid en bewegingsstoornissen. Ook de opname, waarbij zij wordt beperkt tot een verblijf op de afdeling, is niet goed voor haar gezondheid. Maar bovenal zijn deze vormen van verplichte zorg niet nodig. Klaagster is van mening dat zij het recht heeft om uiting te geven aan haar religieuze overtuigingen. Voorts moet klaagster tijdelijk terugkeren naar haar land van herkomst in verband met het ondertekenen van een belangrijk document waarin haar psychiatrische voorgeschiedenis beschreven staat. Dit document kan niet op afstand worden ondertekend.   

Het standpunt van verweerder

Samengevat heeft verweerder het volgende aangevoerd. 

Klaagster is bekend met schizofrenie waarvoor zij in het verleden meerdere keren in een klinische setting behandeld is. In februari 2022 is klaagster opgenomen geweest in G. vanwege een psychotische decompensatie met desorganisatie en religieuze wanen. Ondanks eerdere stabiliteit onder het antipsychoticum Acemap, leidde een dosisverlaging in oktober 2023 tot een psychotische ontregeling, waarbij pogingen tot ambulante stabilisatie faalden. Uiteindelijk resulteerde dit in een opneming in de kliniek op 26 januari 2024, waarbij gekozen werd voor een medicatiewissel naar Clozapine waarvan de dosering geleidelijk verhoogd moet worden.

De klacht van klaagster betreft de behandeling met medicatie, specifiek het starten van clozapine tegen haar wens. De behandeling is echter noodzakelijk ter afwending en voorkoming van ernstig nadeel. Zo kan klaagster agressie oproepen van anderen door hinderlijk gedrag als gevolg waarvan zij onder meer haar kamer in het H., onderdeel van J., kan kwijtraken. Hierdoor dreigt maatschappelijke teloorgang. Het FACT-team heeft geprobeerd klaagster ambulant te behandelen, maar dit is helaas niet gelukt. 

Met betrekking tot de klacht tegen het beperken van de bewegingsvrijheid wordt aangevoerd dat klaagster voornemens was om naar K. te vliegen, wat niet mogelijk is omdat klaagster vanuit haar stoornis anderen lastig valt met haar geloofsovertuiging. Gevreesd wordt dat zij op de luchthaven dan wel in het vliegtuig zal schreeuwen, met alle gevolgen van dien. 

Beoordeling 

Allereerst en meer in het algemeen overweegt de Commissie dat de Wvggz aan de uitvoering van verplichte zorg een groot aantal inhoudelijke en formele eisen stelt. Zo volgt uit artikel 3:3 en 3:4 van de Wvggz dat verplichte zorg alleen verleend kan worden indien het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel en: 

  1. er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn; 
  2. er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn; 
  3. het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg evenredig is; en
  4. redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. 

Voor zover klaagster bedoeld heeft te klagen over het feit dat bij haar geen sprake is van een psychische stoornis, gaat de Commissie daaraan voorbij nu verweerder voldoende heeft onderbouwd dat klaagster lijdt aan een psychische stoornis. Voorts leveren de door verweerder gestelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van de Commissie voldoende grond op om aan te nemen dat het gedrag van klaagster als gevolg van deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat klaagster met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept. 

Nu vaststaat dat sprake is van ernstig nadeel als gevolg van een stoornis, kan als uiterste middel verplichte zorg worden verleend. 

De Commissie overweegt hierover als volgt. 

Met betrekking tot de klacht over de toediening van medicatie heeft de Commissie uit de stukken en hetgeen partijen ter zitting over en weer hebben verklaard, de overtuiging gekregen dat een behandeling met medicatie voor situaties waarin klaagster verkeert de meest aangewezen behandeling is, in die zin dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat met de voorgenomen behandeling met medicatie het voornoemd ernstig nadeel kan worden weggenomen. Weliswaar stelt klaagster bijwerkingen te ondervinden van de medicatie, maar deze bijwerkingen wegen naar het oordeel van de Commissie niet op tegen de voordelen ervan. De Commissie heeft hierbij in aanmerking genomen dat klaagster ter zitting te kennen gegeven heeft op dit moment minder bijwerkingen te ervaren. Nu het de Commissie niet gebleken is dat er voor klaagster minder bezwarende alternatieven zijn met het beoogde effect, zal de klacht tegen het toedienen van medicatie ongegrond worden verklaard.  

Met betrekking tot de gedwongen opneming op 26 januari 2024 is de Commissie van oordeel dat genoegzaam gebleken is dat de noodzakelijke behandeling met medicatie niet in een ambulant kader kon plaatsvinden. Een opname was daarom onvermijdelijk. De Commissie gaat dan ook voorbij aan hetgeen klaagster op dit punt naar voren heeft gebracht en zal de klacht op dit onderdeel eveneens ongegrond verklaren. 

Voor wat betreft de klacht tegen de aan klaagster opgelegde beperking oordeelt de Commissie dat eveneens voldoende gebleken is dat deze beperking noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig nadeel. Door verweerder is op dit punt naar voren gebracht dat klaagster tijdens vrijheden (onder begeleiding van verpleging) vanuit haar geloofsovertuiging mensen op straat aanspreekt op zodanige wijze dat daarmee agressie van anderen oproept. Uiteraard is de Commissie het met klaagster eens dat zij recht heeft om uiting te geven aan geloof, maar de Commissie heeft voldoende reden om aan te nemen dat het gedrag van klaagster is ingegeven door haar psychische stoornis. Dit betekent eveneens dat een vliegreis naar K. op dit moment niet verantwoord is. Dat alles bijeengenomen maakt dat de klacht tegen de beperking naar het oordeel van de Commissie ongegrond moet worden verklaard. 

De beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond

De beslissing is op 5 maart 2024 mondeling medegedeeld aan partijen.

De schriftelijke beslissing is op 12 maart 2024 aan betrokkenen verzonden. 

Deze beslissing is gegeven door mevrouw X., voorzitter, mevrouw X., lid-psychiater, en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door de heer X., ambtelijk secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.