Ongegronde klacht over meerdere vormen van verplichte zorg


Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 7 februari 2024,
binnengekomen op 8 februari 2024, nummer 2402-20

Datum: 26 februari 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 26 februari 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A. (hierna ook: de klager) tegen B. (hierna ook: de zorgaanbieder, tevens de verweerder). 

De klacht gaat over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

Klager heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot bemiddeling door de Klachtencommissie.

Aanwezig

Klager: de heer A.; 

Bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp); 

Zorgaanbieder: B.,  

vertegenwoordigd door de heer D., psychiater, en mevrouw E., arts.
Mevrouw F., psychiater, is, zonder kennisgeving, niet verschenen.

Stukken

De Klachtencommissie (hierna: de Commissie) heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klacht van klager, ingekomen op 8 februari 2024; en
  2. de reactie van de zorgaanbieder op de klacht, met bijlage, binnengekomen op 12 februari 2024. 

Samenvatting

Gedurende de crisismaatregel en de daarop aansluitende zorgmachtiging zijn ten aanzien van klager meerdere vormen van verplichte zorg toegepast. Volgens klager was dat niet toegestaan. Als gevolg van de aan hem verleende verplichte zorg heeft klager schade geleden. Klager wil daarvoor een vergoeding, met de opmerking dat hij de gestelde schade op een later moment in de procedure zal onderbouwen. De Commissie oordeelt dat de klachten ongegrond zijn. Er is in voldoende mate gebleken dat de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg voldoet aan de vereisten van de Wvggz. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom ook afgewezen. Daarnaast heeft klager klachten ingediend over de wijze waarop hij tijdens zijn opneming bejegend is. Ook deze klachten heeft de Commissie ongegrond verklaard.   

De feiten en omstandigheden

Aan het dossier ontleent de Commissie het volgende.

Op 8 november 2023 werd klager wegens psychotische decompensatie met een crisismaatregel opgenomen bij Kliniek G. (hierna: de kliniek). In het kader van deze opname werd klager ingesteld op depotmedicatie. Na zijn ontslag op 12 december 2023 werd de behandeling bij H. (hierna: het ambulante behandelteam) voortgezet.  

Bij uitspraak van 15 december 2023 heeft de rechtbank J. een zorgmachtiging verleend voor de duur van 6 maanden aansluitend op een voortgezette crisismaatregel. De zorgmachtiging bepaalt dat de zorgverantwoordelijke zo nodig verschillende vormen van verplichte zorg mag inzetten, waaronder “het toedienen van medicatie” en “opnemen in een accommodatie, telkens voor de duur van maximaal drie maanden per keer”. 

In de zorgmachtiging is tevens vastgesteld dat klager lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofrenie.  

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in: 

  • levensgevaar; 
  • ernstig lichamelijk letsel; en
  • maatschappelijke teloorgang; 

Via een aanzeggingsbrief van 15 januari 2024 is door de ambulante zorgverantwoordelijke aan klager medegedeeld dat per die datum toepassing zal worden gegeven aan de vorm van verplichte zorg ‘toediening medicatie’. Dit is gebeurd op grond van artikel 8:9 Wvggz. Voorts is aan klager medegedeeld dat de zorgverantwoordelijke hem ten aanzien van deze vorm van verplichte zorg wilsonbekwaam acht.

Op 24 januari 2024 werd klager heropgenomen in de kliniek vanwege zijn aanhoudende verzet tegen depotmedicatie. De toepassing van deze medicatie is neergelegd in de schriftelijke uitvoeringsbeslissing van 22 januari 2024 van de ambulante zorgverantwoordelijke. De opname van klager werd op 5 februari 2024 beëindigd. 

De klacht 

Klager heeft klachten ingediend over de toepassing van verschillende vormen van verplichte zorg en de bejegening. In het klaagschrift schreef klager het volgende: 

  • Klager is gezond en wordt gedwongen geïnjecteerd met medicatie; 
  • Klager is meerdere malen onterecht gevangen gehouden; 
  • Er worden leugens over klager verspreid; 
  • Tijdens de opname mocht klager de rapportages niet inzien en zou hij pas tegen betaling de rapportages op een USB-stick kunnen ontvangen; en
  • Er is gesjoemeld met papieren. Er is bijvoorbeeld ten onrechte gedocumenteerd dat de contactpersoon van klager akkoord was met de behandeling met medicatie. 

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de Commissie verzocht de behandeling met medicatie te schorsen. Dit verzoek heeft de Commissie op 13 februari 2024 afgewezen. 

Schadevergoedingsverzoek

Klager heeft de Commissie verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen. Bij gegrondverklaring van de klacht zal hij dit verzoek om schadevergoeding met een nieuw document onderbouwen.

Het standpunt van klager 

Klager stelt zich op het standpunt dat ten onrechte uitvoering is gegeven aan de vormen van verplichte zorg ‘toediening medicatie’ en ‘opneming in een accommodatie’. Hiertoe voert hij – samengevat – aan dat bij hem geen sprake is van een stoornis op grond waarvan hij zou moeten worden behandeld met medicatie. Klager beschouwt zichzelf als gezond en betwist de diagnose schizofrenie. Klager beklaagt zich vooral over de wijze waarop hij ten tijde van de opnemingen door het behandelteam behandeld is. Zo hebben ze hem verkeerde medicatie toegediend en werd zijn telefoon ingenomen. Verder stelt klager dat de crisismaatregel niet afgegeven had mogen worden en de zorgmachtiging niet had mogen worden verleend. Ook uit klager zijn ongenoegen over de verspreiding van onwaarheden over hem, waaronder de bewering dat hij instemde met een zorgmachtiging en dat hij in het verleden zijn moeder van het balkon zou hebben geduwd.  

Het standpunt van verweerder

Klager is gediagnosticeerd met schizofrenie waarvoor hij al geruime tijd wordt behandeld met medicatie. Al sinds de start van de behandeling bij H. in juni 2023 wil klager de medicatie beëindigen. In september 2023 is er een afbouwschema voor een periode van drie maanden ingezet. Echter, eind oktober 2023 kwam aan het licht dat klager, tegen het advies in, de afbouw had versneld en inmiddels volledig was gestopt met zijn medicatie. Als gevolg hiervan was klager gedecompenseerd. Op 8 november 2023 werd klager in het kader van een crisismaatregel opgenomen in de kliniek. Tijdens deze opname werd klager ingesteld op depotmedicatie. Na zijn ontslag op 12 december 2023 werd de behandeling voortgezet bij het ambulante behandelteam. Op 9 januari 2024 verzette klager zich tegen de depotmedicatie. Door aanhoudend verzet werd op 24 januari 2024 besloten tot een nieuwe opname, die op 5 februari 2024 kon worden beëindigd. Medicatie is volgens verweerder essentieel om psychotische symptomen en het daarmee gepaard gaande ernstig nadeel te voorkomen. Uit ervaring blijkt dat klager psychotisch ontregelt zodra de medicatie wordt gestopt. 

Wat betreft de overige klachten: klager heeft de mogelijkheid om zijn dossier bij zijn ambulante behandelaars op te vragen, welke kosteloos op een USB-stick verstrekt kan worden. Bovendien toont het dossier aan dat er aanvankelijk overleg was tussen de behandelaren, de moeder en de broer van klager. Toen klager aangaf zijn familie niet meer als contactpersoon te wensen, ging de verweerder op zoek naar een vertegenwoordiger.

Beoordeling 

Klachten tegen het verlenen van verplichte zorg 

Allereerst en meer in het algemeen overweegt de Commissie dat de Wvggz aan de uitvoering van verplichte zorg een groot aantal inhoudelijke en formele eisen stelt. Zo volgt uit artikel 3:3 en 3:4 van de Wvggz dat verplichte zorg alleen verleend kan worden indien het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel en: 

  1. er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn; 
  2. er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn; 
  3. het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg evenredig is; en
  4. redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. 

De Commissie gaat voorbij aan het standpunt van klager dat geen sprake (meer) is van een stoornis in de zin van de Wvggz. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat klager lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofrenie. Dit blijkt ook uit de medische verklaring. Voorts leveren de door verweerder gestelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van de Commissie voldoende grond op om aan te nemen dat het gedrag van klager als gevolg van deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang. 

Nu vaststaat dat sprake is van ernstig nadeel als gevolg van een stoornis, kan als uiterst middel verplichte zorg worden verleend. 

Met betrekking tot de klacht over de toediening van medicatie heeft de Commissie uit de stukken en hetgeen partijen ter zitting over en weer hebben verklaard, de overtuiging gekregen dat een behandeling met medicatie voor situaties waarin klager verkeert de meest aangewezen behandeling is. Zodra klager stopt met het innemen van medicatie, bestaat volgens verweerder het risico dat klager psychotisch decompenseert. Hij vertoont dan gedrag dat leidt tot ernstig nadeel. Verweerder heeft daarom terecht het standpunt ingenomen dat klager baat heeft bij een behandeling met medicatie en dat nadeel aldus kan worden voorkomen. Dat klager zichzelf op het moment als gezond beschouwt en geen klachten ervaart, schrijft verweerder toe aan de effecten van medicatie. Weliswaar stelt klager bijwerkingen te ondervinden van de medicatie, maar deze bijwerkingen wegen naar het oordeel van de Commissie niet op tegen de voordelen ervan. Het is de Commissie niet gebleken dat er voor klager minder bezwarende alternatieven zijn met het beoogde effect. 

Het voorgaande leidt de Commissie tot het oordeel dat de klacht tegen het toedienen van medicatie ongegrond is. 

Met betrekking tot de gedwongen opneming op 8 november 2023 en 24 januari 2024 is de Commissie van oordeel dat genoegzaam gebleken is dat de noodzakelijke behandeling met medicatie niet in een ambulant kader kon plaatsvinden. Dit gezien het toestandsbeeld van klager en diens verzet tegen behandeling. Een opname was daarom onvermijdelijk. De Commissie gaat dan ook voorbij aan hetgeen klager op dit punt naar voren heeft gebracht. 

Door de opname (en medicatie) is klager inmiddels weer voldoende gestabiliseerd en wordt hij thans ambulant behandeld. 

De Commissie acht de klacht tegen de gedwongen opnames ongegrond. 

Overige klachten

De stelling dat verweerder allerlei leugens over klager heeft verspreid is naar het oordeel van de Commissie te weinig overtuigend naar voren gebracht. Het berust op een misverstand dat verweerder aanvankelijk aannam dat de moeder van klager niet zelf van het balkon was gesprongen. Dit beeld was gebaseerd op informatie die aan verweerder in het kader van de crisismaatregel was verstrekt. Dat later bleek dat een en ander anders was verlopen, kan naar het oordeel van de Commissie dan ook niet aan verweerder worden tegengeworpen. Voor wat betreft de klachten over de bejegening stelt de Commissie vast dat pas ter zitting duidelijk is geworden wat de klacht precies behelst, waardoor de Commissie zich daarover in deze procedure niet kan uitspreken. De pvp zal met klager bespreken of zij hierover een nieuwe klacht ter beoordeling aan de Commissie zullen voorleggen. 

Alles bijeen genomen is de Commissie van oordeel dat ook op dit onderdeel de klacht ongegrond is. 

Schadevergoeding

De Commissie komt niet toe aan het beoordelen van het verzoek tot schadevergoeding, nu de klachten van klager ongegrond verklaard worden. Het verzoek tot schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. 

De beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klachten ongegrond
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af

De beslissing is op 27 februari 2024 mondeling medegedeeld aan partijen.

De schriftelijke beslissing is op 5 maart 2024 aan betrokkenen verzonden. 

Deze beslissing is gegeven door de heer X., voorzitter, mevrouw X., lid psychiater, en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door de heer X., ambtelijk-secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de oorspronkelijke beslissing voorleggen aan de rechtbank. Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.