Ongegronde klacht over medicatie, het niet betrekken van klaagster bij de behandeling en de wisseling van hoofdbehandelaren


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van mevrouw A., namens haar zoon de heer B.,

gedateerd 31 januari 2024, door de Klachtencommissie in behandeling genomen op 19 februari 2024, nummer 2402-14

Datum: 4 maart 2024

Inleiding

Met een klaagschrift, gedateerd 31 januari 2024, heeft mevrouw A., (hierna klaagster), namens haar zoon de heer B., (hierna: klager) een klacht ingediend bij Klachtencommissie GGZ Amsterdam e.o. (hierna: de Commissie) tegen C. (hierna: de zorgaanbieder). Klager heeft desgevraagd bevestigd dat klaagster mede namens hem een klacht mocht indienen. De Commissie heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat de Commissie de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren. 


Stukken

De Commissie heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift;
  2. het verweerschrift van mevrouw D., arts en mevrouw E., psychiater bij de zorgaanbieder;  en
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klager.

Samenvatting

De klacht houdt in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot

1) toediening van medicatie, en dan met name de combinatie van de verschillende soorten medicatie en de hoogte van de dosering;

2) het niet betrekken van klaagster bij de behandeling en de gesprekken van en over klager;

3) de wisselingen van de hoofdbehandelaren.

De Commissie komt tot het oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. 

De feiten

Op grond van de stukken staat volgens de Commissie het volgende vast. 

Bij beschikking van 13 december 2024 heeft de Rechtbank F. (hierna: de rechtbank) ten aanzien van klager een zorgmachtiging verleend voor – onder andere – het toedienen van medicatie, voor de duur van twaalf maanden, dus tot en met 13 december 2024. Ten aanzien van de noodzaak tot verplichte zorg heeft de rechtbank overwogen dat klager lijdt aan een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type. Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Het ernstig nadeel is gelegen in (het risico op) ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Verder is overwogen dat de situatie van klager niet stabiel genoeg is en dat de verwachting is dat hij, aangezien hij onvoldoende ziekte-inzicht heeft, niet vrijwillig aan de behandeling zal meewerken. 

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klager op 19 november 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging. In de schriftelijke kennisgeving is onder andere ‘het toedienen van medicatie’ aangekruist als de aan hem te verlenen vorm van verplichte zorg. Hierbij staat vermeld: ‘Medicatie is noodzakelijk om de psychose te verminderen en onder controle te krijgen’ . 

De behandelaar komt in deze beslissing daarnaast tot het oordeel dat klager wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij  nodig heeft. Er is op dit moment geen vertegenwoordiger. De instelling zal onderzoeken of het noodzakelijk is een vertegenwoordiger te laten aanstellen. 

De klacht

De klacht houdt in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot

1) toediening van medicatie, en dan met name de combinatie van de verschillende soorten medicatie en de hoogte van de dosering;

2) het niet betrekken van klaagster bij de behandeling en de gesprekken van en over klager;

3) de wisselingen van de hoofdbehandelaren.

Schorsingsverzoek 

Klager  heeft de Commissie verzocht de bestreden beslissing van de zorgaanbieder te schorsen. Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgaanbieder (hierna verweerder) voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing tot toediening van medicatie niet geschorst kan worden ter voorkoming van ernstig nadeel. De Commissie heeft dan ook geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen en heeft daarop in een aparte beslissing, gedateerd 21 februari 2024, het schorsingsverzoek afgewezen.

Het standpunt van klager

Ad 1)

Klager is het niet eens met de combinatie en de dosering van de verschillende soorten medicatie. Hij vindt deze te hoog. Hij heeft de verschillende soorten medicatie niet nodig omdat hij gewoon rustig op de afdeling aanwezig is. Hij heeft veel last van bijwerkingen van de medicatie, zoals het trillen van de armen en benen. Daarnaast kan hij door de medicatie niet normaal slapen. Hoewel hij hier al langer last van heeft, is dit nu verergerd. 

Klaagster maakt zich ernstig zorgen om de lichamelijke toestand van klager. Zij vindt de combinatie en de hoogte van de dosering ‘absurd’. Verder is zij het er onder andere niet mee eens dat klager sommige soorten medicatie als straf krijgt toegediend als hij de -veel te hoge dosering- van andere voorgeschreven medicatie weigert.

Ad 2)

Klager is het er niet mee eens dat klaagster niet altijd bij zijn behandeling en de gesprekken is en/of wordt betrokken. Klaagster vindt dat zij als eerste contactpersoon steeds wordt buitengesloten, niet op de hoogte wordt gehouden en niet wordt betrokken bij de ZAG-gesprekken. Daarnaast wordt klaagster steeds ‘aan het lijntje’ gehouden als zij de verpleging hierop aanspreekt.

Ad 3)

Klager en klaagster zijn het er niet mee eens dat de hoofdbehandelaren steeds wisselen.

Hier ondervindt klager nadeel van.

Het standpunt van verweerder

Ad 1)

Verweerder heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat een medicamenteuze behandeling noodzakelijk is ter afwending van ernstig nadeel. Uit het verweerschrift blijkt dat bij klager manische en psychotische symptomen aanwezig zijn. Verder wordt vermeld dat er tijdens de opname sprake is (geweest) van agressie-incidenten, gericht tegen andere personen en/of goederen. Daarnaast werd gezien dat de slaap verslechterde en klager tot diep in de nacht bezig was met cijferreeksen. Tijdens de opname is meerdere keren met klager gesproken over het feit dat in het verleden al was gebleken dat een combinatie van meerdere soorten medicatie een goed effect had op het toestandsbeeld van klager. Op 6 februari 2024 zijn vervolgens in een gesprek tussen klager, klaagster en verweerder, vier mogelijke medicatie-opties besproken en aan klager voorgelegd. Hoewel klager ambivalent stond tegenover de gegeven opties, is hij uiteindelijk wel met één van de opties akkoord gegaan. Dit betreft verlaging van het depot Paliperidon en continueren van de orale depakine. 

De hoop en verwachting van verweerder is dat klager met de combinatie van medicatie in de voorgeschreven dosering, tot een goed, psychiatrisch evenwicht komt en blijft. Hierbij is opgemerkt dat bekend is en gezien wordt dat klager bijwerkingen ervaart, maar dat een minder ingrijpend alternatief op dit moment niet mogelijk is. Verder is aangegeven dat een eventuele verdere verlaging van de medicatie wellicht mogelijk is op het moment dat klager weer langere tijd thuis goed functioneert, en een opleiding of dagbesteding heeft hervat.

Ad 2)

Verweerder heeft opgemerkt dat klaagster bij grote veranderingen of beslissingen in de behandeling van klager wordt betrokken. Het is helaas één keer voorgekomen dat klaagster niet voor een ZAG is uitgenodigd terwijl zij daar wel bij had willen zijn. Dit wordt betreurd maar dat was een uitzondering.

Ad 3)

Verweerder heeft aangegeven dat klager tijdens de opname twee keer een andere  behandelaar toegewezen heeft gekregen. Dit had ermee te maken dat de ‘vorige’ behandelaren hun werkzaamheden op de HIC hadden beëindigd. Verweerder begrijpt dat dit niet wenselijk is, maar dit had niet voorkomen kunnen worden. 

Daarnaast is opgemerkt dat in verband met een vastgelopen behandeling, de ambulante behandelaren van G. de behandeling van klager hebben gestaakt. De behandeling zal worden overgedragen aan derden. Voor zover door verweerder is begrepen heeft klager zijn onvrede over de behandeling geuit en is daarnaast de behandeling  vastgelopen door discriminerende uitlatingen van klager jegens zijn behandelaren. Verweerder stelt dat zij ook hier geen aandeel in had en dat zij hier evenmin invloed op kon uitoefenen.

Overwegingen en oordeel

Ad 1)

Klager en klaagster stellen zich op het standpunt dat een behandeling met de huidige combinatie van medicatie niet juist is en of de dosering van de medicatie veel te hoog is. 

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of een zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – kort samengevat – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de Commissie als volgt. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de Commissie gebleken dat klager lijdt aan een psychische stoornis, te weten een  schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type. De Commissie heeft geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. 

Er is verder sprake van (een groot risico op) ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang indien geen verbetering in het toestandsbeeld van klager optreedt. Zo wordt in het verweerschrift en in de rapportages melding gemaakt van verschillende agressie-incidenten. Daarnaast is duidelijk dat klager op dit moment niet kan starten met werk en of een opleiding. Daarmee staat voor de Commissie vast dat het gedrag van klager als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klager zorg nodig.

De Commissie is verder van oordeel dat de behandelaars in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder een behandeling met medicatie kan worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. Hierbij is onder meer van belang dat blijkens de stukken een behandeling met medicatie in het verleden effectief is gebleken. Het valt niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstige nadeel kan wegnemen. 

Daarnaast merkt de Commissie op dat zij heeft begrepen dat klager last heeft van nare bijwerkingen van de medicatie. De Commissie betreurt dit, maar volgens haar weegt in dit geval het voordeel, te weten het voorkomen van psychiatrische verslechtering met risico op bovengenoemd ernstig nadeel, zwaarder dan het door klager genoemde en ervaren nadeel. In dit kader merkt de Commissie nog op dat zij uit het verweerschrift heeft kunnen opmaken dat verschillende behandelalternatieven met klager en klaagster zijn besproken, in de hoop dat de bijwerkingen zouden verminderen. Klager heeft toen gekozen voor depakine in dezelfde dosering en verlaging van het depot Paliperidon. Hiermee is ook aan de eis van subsidiariteit voldaan.

De Commissie heeft verder vast kunnen stellen dat er een geldige zorgmachtiging aanwezig is en dat klager, conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd geïnformeerd is over de gedwongen behandeling met medicatie.

Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond moet worden beoordeeld.

Ad 2)

Klager is het er niet mee eens dat klaagster niet altijd bij zijn behandeling en de gesprekken is en of wordt betrokken. 

Blijkens het verweerschrift wordt getracht klaagster als eerste contactpersoon, bij grote veranderingen of beslissingen in de behandeling te betrekken. Hierbij is door verweerder bevestigd dat het is voorgekomen dat klaagster rondom de wisseling van behandelaren een keer niet is uitgenodigd voor een ZAG terwijl zij hier wel bij had willen zijn. Alles overziend ziet de Commissie echter geen aanleiding om te veronderstellen dat klaagster, zoals zij stelt, opzettelijk wordt buitengesloten bij de behandeling. En hoewel de Commissie zich kan voorstellen dat het vervelend is geweest voor klager en klaagster, dat klaagster een keer niet is uitgenodigd voor een ZAG, is dit voor de Commissie onvoldoende zwaarwegend om dit klachtonderdeel gegrond te verklaren.

Ad 3)

Klager en klaagster zijn het er niet mee eens dat er wisselingen optreden van behandelaren.

Blijkens het verweerschrift is het twee keer voorgekomen dat behandelaren van klager met hun werkzaamheden op de afdeling zijn gestopt, waarna klager noodgedwongen nieuwe behandelaren toegewezen kreeg. Hoewel de Commissie zich kan voorstellen dat het niet prettig is dat dit is gebeurd, is dit in casu echter niet iets wat voorkomen had kunnen worden. Dit geldt ook voor de beëindiging van de behandeling door het ambulante team. Naar de Commissie heeft begrepen wenst klager zelf dat hij andere ambulante behandelaren krijgt toegewezen en of hebben de ambulante behandelaren hier om gevraagd omdat zij zich door klager onheus bejegend voelen. Dit kan verweerder evenmin verweten worden. 

Alles overziend oordeelt de Commissie dit onderdeel van de klacht ongegrond. 

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Deze beslissing is op 5 maart 2024 per e-mail aan betrokkenen meegedeeld. 

De schriftelijke beslissing met daarin de motivering is op 12 maart 2024 aan betrokkenen verzonden. 

De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door mevrouw X., voorzitter, mevrouw X., lid psychiater en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door mevrouw X., ambtelijk secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.