Ongegronde klacht over medicatie, andere medische of therapeutische handelingen en beperking bewegingsvrijheid


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken 

Betreft: BESLISSING   

Inzake: de klacht van mevrouw A., gedateerd 20 januari 2024, bij de Klachtencommissie binnengekomen op 22 januari 2024, nummer 2401-08

Datum: 5 februari 2024

Inleiding

Met een klaagschrift, gedateerd 20 januari 2024, bij de Klachtencommissie binnengekomen op 22 januari 2024, heeft mevrouw A. de Kort (hierna: klaagster) een klacht ingediend bij de Klachtencommissie GGZ Amsterdam e.o. (hierna: de Commissie) tegen B. (hierna: de zorgaanbieder). Klaagster heeft desgevraagd uitdrukkelijk laten weten af te zien van de mogelijkheid om naar aanleiding van haar klacht gehoord te worden door de Commissie. Ook verweerder heeft laten weten geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. De Commissie heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat de Commissie de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

 

Stukken

De Commissie heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift, gedateerd 20 januari 2024 met bijlage (te weten de reactie van klaagster d.d. 22 januari 2024 op vragen van de Commissie);
  2. het verweerschrift, gedateerd 1 februari 2024; en
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klaagster.

Samenvatting

De klacht houdt in dat klaagster zich niet kan vinden in het besluit tot toediening van medicatie, het verrichten van andere medische of therapeutische handelingen en het beperken van de bewegingsvrijheid als vormen van verplichte zorg. Haar bezwaren richten zich ook tegen het feit dat zij in die beslissingen wilsonbekwaam ter zake van behandeling wordt geacht.
De Commissie komt tot het oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. 

De feiten

De Commissie gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit de overhandigde stukken blijkt dat klaagster sinds enkele jaren is gediagnosticeerd met een psychische stoornis, in de vorm van een psychotische decompensatie in het kader van middelengebruik dan wel een schizo-affectieve stoornis en een stoornis in het gebruik van middelen.

Bij beschikking van 17 augustus 2023 heeft de Rechtbank C. (hierna: de rechtbank) ten aanzien van klaagster een zorgmachtiging verleend voor – onder andere – het toedienen van medicatie, het verrichten van andere medische en therapeutische handelingen en het beperken van de bewegingsvrijheid, voor de duur van negen maanden.

Ten aanzien van de noodzaak van de verplichte zorg heeft de rechtbank overwogen dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. A. is sinds 18 januari 2024 opgenomen in de kliniek.

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is A. op 19 januari 2024 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging. In de schriftelijke kennisgeving zijn ‘het toedienen van medicatie’, ‘het verrichten van andere medische of therapeutische handelingen’ en ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ aangekruist als de aan haar te verlenen vormen van verplichte zorg.  

De behandelaar komt in de beslissing van 19 januari 2024 verder tot het oordeel dat klaagster wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die zij nodig heeft, omdat zij de geboden zorg niet nodig vindt, de medicatie weigert, niet wil meewerken aan het in kaart brengen van het middelengebruik en niet in staat is om logisch te redeneren of haar keuzes te onderbouwen.

De klacht en het standpunt van klaagster 

De Commissie heeft klaagster verzocht haar klacht te verhelderen. De Commissie verwijst naar de e-mail van klaagster d.d. 22 januari 2024 in reactie op vragen van de Commissie. In overleg met klaagster heeft de Commissie vastgesteld dat haar klacht bestaat uit de volgende klachtonderdelen. 

Klaagster kan zich niet vinden in het besluit van 19 januari 2024 tot:

1) het toedienen van medicatie;

2) het verrichten van andere medische of therapeutische handelingen, in casu het verrichten van een urinecontrole op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;

3) het beperken van de bewegingsvrijheid; en

4) zij ter zake van bovengenoemde beslissingen wilsonbekwaam wordt geacht.

Klaagster stelt in haar klaagschrift dat zij al jaren geen drugs (heeft) gebruikt en (hierdoor) niet psychotisch is of is geworden. Zij meent ooit getraumatiseerd te zijn geweest, maar geen psychische stoornis te hebben. Dat zij door haar gediagnosticeerde psychische stoornis, al dan niet in combinatie met middelengebruik, ontregeld zou zijn geraakt, strookt volgens haar dan ook niet met de feiten. Het besluit van 18 januari 2024 om uitvoering te geven aan de zorgmachtiging kwam voor haar dan ook geheel onverwachts en berustte haars inziens op verkeerde aannames. Klaagster wenst verder met rust gelaten te worden en haar eigen leven te kunnen leiden.

Het standpunt van verweerder 

De behandelaar heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat de aangezegde vormen van verplichte zorg volstrekt noodzakelijk zijn ter afwending van ernstig nadeel – bestaande uit gevaar voor zichzelf en maatschappelijke teloorgang – en dat klaagster op het moment dat de beslissing werd genomen wilsonbekwaam was ter zake. Het navolgende is aan dit standpunt ten grondslag gelegd.

Ad 1) 

Antipsychotica is de kern van de behandeling van klaagster. Zonder antipsychotica biedt de behandeling onvoldoende bescherming. Klaagster is immers in het verleden therapieontrouw geweest, wat heeft geleid tot ernstige decompensaties. Vervolgens is gebleken  dat antipsychotica klaagster goed beschermen tegen ontregelingen. Omdat klaagster vrijwillige inname van medicatie weigert en de ervaring leert dat het ziektebesef rondom de schizoaffectieve stoornis en het middelengebruik van klaagster dusdanig toeneemt na het gebruik van antipsychotica, is verplichting van de medicatie noodzakelijk, aldus de behandelaar. 

Ad 2) 

Daarnaast heeft de behandelaar kenbaar gemaakt dat medewerking aan urinecontroles – vanuit diagnostische overwegingen – verplicht is aangezegd om eventueel drugsgebruik tijdens opname te kunnen monitoren. Het middelengebruik al dan niet in combinatie met het niet innemen van antipsychotische medicatie heeft immers een negatieve invloed op de psychische conditie van klaagster. Tevens is het vanwege het eerder (aangetoond) drugsgebruik, de discrepantie tussen de gevonden drugs bij klaagster thuis en het op heterdaad betrappen van drugsgebruik door de familie van klaagster noodzakelijk om (verder) ernstig nadeel af te wenden. Daarnaast is een dergelijke controle niet-invasief en bestaat er geen alternatief.

Ad 3)
De behandelaar stelt zich op het standpunt dat een klinische opname noodzakelijk is om drugsgebruik te ondervangen en het daaruit voortvloeiende gevaar te voorkomen. Tevens is gebleken dat klaagster, zoals reeds naar voren is gekomen, in het verleden therapieontrouw is geweest, waarbij zij drugs heeft gebruikt tijdens vrijheden. Een ernstige decompensatie was het gevolg. De beperking van de bewegingsvrijheid acht de behandelaar dan ook noodzakelijk. 

Ad 4)
De behandelaar heeft in zijn verweer toegelicht dat het klaagster, op het moment van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg, ontbrak aan ziektebesef en ziekte-inzicht. Zo spreekt de behandelaar van een ‘bizarre ontkenning van middelengebruik’. Dit is dan ook de reden dat zij wilsonbekwaam is verklaard ter zake. 

Overwegingen en oordeel

Uit de overgelegde stukken is volgens de Commissie gebleken dat klaagster lijdt aan een psychische stoornis, te weten een psychotische decompensatie in het kader van middelengebruik dan wel een schizo-affectieve stoornis en een stoornis in het gebruik van middelen. De rechtbank heeft verder bij de afgifte van de zorgmachtiging al geoordeeld dat sprake is van ernstig nadeel, te weten ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klaagster volgens de rechtbank zorg nodig. Voor zover klaagster  heeft willen stellen dat van een psychische stoornis geen sprake (meer) is, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. De Commissie heeft geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose en neemt daarom de vaststelling van de rechtbank over. 

Ad 1) Ten aanzien van het toedienen van medicatie 

De Commissie heeft begrepen dat A. het niet eens is met de gestelde diagnose, omdat zij meent dat zij op psychisch vlak niks mankeert. Zij weigert dan ook vrijwillige inname van medicatie. Bovendien is klaagster therapieontrouw  geweest, wat heeft geleid tot ernstige ontregelingen. Ook is gebleken dat het gebruik van antipsychotica bij klaagster leidt tot meer ziektebesef rondom haar psychische stoornis en middelengebruik. Bovenstaande in acht nemende is de Commissie daarom voldoende overtuigd geraakt dat verplichte zorg in de vorm van medicatie nodig is ter voorkoming van ernstig nadeel. 

De Commissie komt tot de slotsom dat dit klachtonderdeel ongegrond verklaard moet worden.

Ad 2) Het verrichten van andere medische of therapeutische handelingen 

Uit de stukken is eveneens gebleken dat klaagster drugs – speed en cannabis (heeft) – gebruikt. Aangezien het gebruik van speed en cannabis de psychische conditie van klager in negatieve zin kan beïnvloeden, was het volgens de zorgverantwoordelijke noodzakelijk haar door middel van urinecontroles te testen op drugsgebruik. Bovendien acht de Commissie het indachtig dat de behandelaar wilde controleren of klaagster drugs gebruikte, gezien haar geschiedenis met drugsgebruik. Zodoende is de zorgverantwoordelijke er volgens de Commissie voldoende in geslaagd de noodzaak van de urinecontroles aan te tonen.

De Commissie is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Ad 3) Ten aanzien van het beperken van de bewegingsvrijheid

Om klaagster te beschermen tegen (ernstige) decompensaties, die in het verleden onder andere het gevolg waren van therapieontrouw en middelengebruik buiten de instelling, is de Commissie het met de behandelaar eens dat deze vorm van verplichte zorg noodzakelijk wordt geacht ter afwending van ernstig nadeel.

De Commissie komt tot het oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

Ad 4) Ten aanzien van wilsonbekwaamheid ter zake van bovengenoemde vormen van verplichte zorg

In de Wvggz is tot uitdrukking gebracht dat er evenveel waarde gehecht wordt aan de eigen mening en instemming van een wilsbekwaam persoon met een psychische stoornis als aan die van een wilsbekwaam persoon zonder stoornis. Kort weergegeven is het uitgangspunt dat wilsbekwame bezwaren tegen vormen van verplichte zorg moeten worden gehonoreerd tenzij er sprake is van acuut levensgevaar dan wel van een risico op ernstig nadeel voor anderen. Het al dan niet bestaan van wilsbekwaamheid moet zo veel als mogelijk worden beoordeeld per concrete beslissing (‘wilsbekwaam ter zake van een bepaalde te nemen beslissing’), waarbij het uitgangspunt is dat betrokkene wilsbekwaam is. Het gaat dan om de actuele vermogens van betrokkene, of hij de relevante informatie kan verwerken die voor het nemen van een beslissing van belang is en of hij de gevolgen van die beslissing kan overzien. In dat verband merkt de Commissie op dat de rechtbank kennelijk van mening was voorbij te kunnen gaan aan bezwaren van klaagster tegen de in de zorgmachtiging op te nemen vormen van verplichte zorg. Thans bij uitvoering van verplichte zorg dient de Commissie te beoordelen of de zorgverantwoordelijke voldoende onderbouwd tot het oordeel mocht komen dat klaagster wilsonbekwaam was in haar bezwaren ter zake van de toe te passen vormen van verplichte zorg.

Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgverantwoordelijke in zijn verweerschrift en in het zorgplan voldoende aannemelijk gemaakt dat, anders dan door klaagster is betoogd, zij ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing niet in staat kon worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake de in die beslissing opgenomen vormen van verplichte zorg en dat aldus haar geestelijke vermogens op dat moment onvoldoende waren in relatie tot het nemen van een beslissing tot zorg. Zo blijkt uit de stukken dat klaagster meent dat ze geen psychische stoornis heeft, haar middelengebruik stellig ontkent, niet in staat is om tot een behandelplan of behandelafspraken te komen en zij haar keuzes niet kan onderbouwen. 

De Commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Tot slot is klaagster conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd geïnformeerd over de verplichte zorg waarover zij klaagt.

Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond moet worden verklaard. 

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is op 6 februari 2024 telefonisch aan betrokkenen meegedeeld. 

De schriftelijke beslissing is op 12 februari 2024 aan betrokkenen verzonden. 

De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door X., voorzitter, X., lid psychiater en X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door X., ambtelijk secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de (oorspronkelijke) beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.