Ongegronde klacht over het besluit tot verplichte zorg


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 28 maart 2024, bij de

Klachtencommissie binnengekomen op 3 april 2024, met nummer 2404-45

Datum: 15 april 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 15 april 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A. (hierna: klager)  tegen B. (zorgaanbieder) (hierna: verweerder), met nummer 2404-45.

De klacht gaat over het nakomen van een verplichting of over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Aanwezig

Klager: de heer A.;

bijgestaan door: mevrouw C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp).

Zorgaanbieder: D., onderdeel van B., 

vertegenwoordigd door mevrouw E., psychiater en mevrouw F., waarnemend casemanager.

Stukken

De Klachtencommissie, hierna te noemen de Commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. de klacht, binnengekomen op 3 april 2024;
  2. de reactie van verweerder, binnengekomen op 10 april 2024; en
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klager.

Samenvatting

De klacht houdt in dat klager

1)    het niet eens is met de gegevens die in de medische verklaring staan; 

en – ook blijkens een opmerking van de pvp in de aanbiedingsbrief bij de klacht –

2)    zich niet kan vinden in het besluit tot verplichte zorg.                

De Commissie komt tot het oordeel dat het eerste klachtonderdeel niet-ontvankelijk is en dat het tweede klachtonderdeel ongegrond is. 

Het verzoek van klager tot vergoeding van zijn schade wordt afgewezen. 

De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken staat voor de Commissie het volgende vast. 

Bij beschikking van 26 februari 2024 heeft de Rechtbank G. (hierna: de rechtbank) besloten voor klager een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden, dus tot en met 26 augustus 2024. De zorgmachtiging voorziet onder andere in het verplicht kunnen toedienen van medicatie aan klager en het verplicht kunnen opnemen in een accommodatie van klager (telkens voor maximaal drie maanden per keer).

Ten aanzien van de noodzaak van verplichte zorg heeft de rechtbank vastgesteld dat (letterlijk overgenomen): “betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van ongespecificeerde schizofreniespectrum.

2.2. Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige financiële schade en maatschappelijke teloorgang. De rechtbank acht geen ernstig nadeel in de vorm van levensgevaar aanwezig.”

Verder heeft de rechtbank overwogen:

“De moeder van betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij zich veel zorgen maakt over haar zoon. Zij geeft aan dat toen betrokkene medicatie kreeg, het veel beter met hem ging. Om die reden is zij het dan ook eens met de aanvraag van de zorgmachtiging.”

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klager op 4 maart 2024 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging. In de schriftelijke kennisgeving is onder meer ‘het toedienen van medicatie’ en ‘het opnemen in een accommodatie’ aangekruist als de aan hem te verlenen vormen van verplichte zorg. 

De beslissing van 4 maart 2024 vermeldt dat het verlenen van verplichte zorg noodzakelijk is omdat:
“Antipsychotica is een evidence based interventie bij het behandelen van een psychose. Depot antipsychotica heeft eerder een positief effect gehad, waarna hij zijn leven weer op orde kreeg, sociale contacten met vrienden en familie weer goed vorm kregen. [….] Indien het niet mogelijk is het depot ambulant toe te dienen is opname in een kliniek noodzakelijk om de medicatie te kunnen starten.”

De behandelaar komt in deze beslissing verder tot het oordeel dat klager wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij nodig heeft, omdat hij de situatie niet kan waarderen: “vanwege het ontbrekend ziektebesef, denkt u niet psychotisch te zijn en kunt u ook geen wilsbekwame afweging maken over de geboden behandeling. ̈  

De klacht

Klager klaagt over de inhoud van de medische verklaring die is gebruikt voor de aanvraag van de zorgmachtiging en verzet zich tegen de beslissing van de zorgaanbieder, naar aanleiding van de hierboven genoemde zorgmachtiging, om verplichte zorg toe te passen.

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de Commissie verzocht de bestreden beslissing van de zorgaanbieder te schorsen. De pvp heeft daarbij duidelijk gemaakt dat het verzoek de beslissing tot toediening van medicatie betrof. 

De zorgaanbieder heeft de Commissie vervolgens op 4 april 2024 geïnformeerd dat de bestreden vormen van verplichte zorg nog niet zal worden toegepast in afwachting van een beslissing van de Commissie. De Commissie zal zich dan ook beperken tot een oordeel over de klacht.

Schadevergoeding

Klager wenst een schadevergoeding te ontvangen voor het besluit waarmee hij het niet eens is. Bij gegrondverklaring van de klacht zal hij dit verzoek om schadevergoeding met een nieuw document onderbouwen.

Het standpunt van klager

Klager zegt dat hij het niet eens is met de gestelde diagnose. Hij heeft geen psychische stoornis en behoeft daarom geen medicatie of bemoeienis van de ggz-medewerkers. De afgelopen jaren heeft hij vrijwillig meegewerkt aan zijn behandeling, maar de behandelaars begrijpen volgens hem niet dat het ook een keer afgelopen moet zijn. Zij weten niet wanneer het genoeg is en blijven maar doorgaan. Klager zegt dat hij intelligent en hoogopgeleid is en prima in staat is zijn eigen leven te leiden. De behandelaars schrijven echter leugens in zijn medisch dossier, en met die leugens is er een verklaring voor de rechtbank opgesteld waardoor er opnieuw een zorgmachtiging is afgegeven. Zijn eerste klachtonderdeel betreft dan ook de leugens omtrent de diagnose en het ernstig nadeel die genoemd staan in de (medische) verklaring die voor de rechtbank is gebruikt. 

Klager zegt verder dat het met hem slechter ging in de periode dat hij (antipsychotische) medicatie gebruikte, en het nu – zonder medicatie – beter met hem gaat. Toen hij medicatie gebruikte “speelde hij het spelletje mee met de behandelaars omdat het moest”, maar hij voelde zich toen niet goed. Hij had weinig tot geen energie waardoor hij niet op zijn eigen niveau kon functioneren. Hij kon niet zingen (in de band) of op hoog niveau sporten, terwijl hij dat daarvóór wel kon. De contacten met de behandelaars en het continu moeten doen wat hij niet wilde, kostten hem veel energie. Nu gaat het zonder medicatie veel beter met hem: hij sport weer en heeft goed contact met zijn vrienden. Klager zegt dat wat hij wel of niet doet met zijn leven niemand iets aangaat: hij hoeft geen verantwoording over zijn leven af te leggen aan de behandelaars (of aan de Commissieleden). Hij heeft die bemoeienis niet nodig en vindt die bemoeienis bijzonder irritant. Hij wil daarom geen enkele vorm van verplichte zorg en wijst deze dan ook af. 

Klager licht toe dat hij een schadevergoeding wil voor wat hem is aangedaan: zijn lichaam is anderhalf jaar verzwakt geweest; hij kwam niet toe aan zijn activiteiten; hij heeft moeten meewerken en aardig moeten doen, maar zit alsnog met een dossier vol leugens. 

De pvp voegt hieraan toe dat klager bij haar kwam omdat hij een beslissing tot uitvoering van verplichte zorg had ontvangen en hij geen medicatie wilde. Dit stond niet letterlijk in zijn klaagschrift, maar wel in de begeleidende e-mail van de pvp. De pvp zegt dat klager van mening is dat hij geen psychische stoornis heeft en dat hij daarom ook geen medicatie wil. Ook vindt klager dat geen sprake is van het ernstig nadeel zoals dat in het verweerschrift is genoemd. Het gaat nu juist goed met hem.  

Het standpunt van verweerder

De behandelaars leggen zowel in het verweerschrift als ter zitting uit dat klager is gediagnosticeerd met een psychotische stoornis, en dat hij bij hen in behandeling is sinds begin 2021 toen hij een eerste psychose had. Vanaf die tijd is klager langdurig in zorg geweest, waarbij er periodes met een zorgmachtiging en verplichte medicatie waren. Hierbij geldt dat het goed met klager ging in de periodes dat hij antipsychotische medicatie gebruikte: hij was goed in contact, kon goed functioneren in een baan, had een breed sociaal netwerk, en financieel was er geen ‘gedoe’. In overleg is in 2023 de medicatie afgebouwd, maar sinds de zomer van 2023 zagen de behandelaars en de familie van klager dat zijn toestandsbeeld verslechterde. Er is geprobeerd om klager in een vrijwillig kader medicatie te laten gebruiken, maar dit is niet gelukt. Omdat klager in financiële problemen geraakte, zijn sociale netwerk kleiner werd, hij geen baan kon houden, geagiteerd was en psychotische belevingen had (hij nam onder andere overal energieën waar en dacht dat hij een grote invloed op de wereld had) en zijn steunsysteem zich veel zorgen maakte, is er vervolgens opnieuw een zorgmachtiging aangevraagd om hem weer op medicatie in te kunnen stellen. Aangezien klager tot nu toe nog geen medicatie gebruikt, doet de geschetste zorgwekkende situatie zich nu nog steeds voor. Het ernstig nadeel bestaat volgens de behandelaars derhalve uit maatschappelijke teloorgang, maar ook lichamelijk of geestelijk letsel door de voortdurende psychose. De behandelaars hebben, volgens het zorgplan, een voorkeur voor medicatie in depotvorm, omdat dit een gelijkmatigere spiegel oplevert en de therapietrouw bevordert.

Overwegingen en oordeel

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of een zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – kort samengevat – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens de tekst van de Wvggz, plaats te vinden op grond van een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de Commissie gebleken dat klager lijdt aan een psychische stoornis, te weten een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis. Hoewel klager de stoornis ontkent, heeft de Commissie geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. 

Er is blijkens de beschikking van de rechtbank inzake de zorgmachtiging sprake van een groot risico op ernstig lichamelijk of geestelijk letsel van klager en op maatschappelijke teloorgang indien geen verbetering in het toestandsbeeld van klager optreedt. Daarmee staat voor de Commissie vast dat het gedrag van klager als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klager zorg nodig.

Eerste klachtonderdeel: leugens in verklaring

De Commissie stelt vast dat de inhoud van de medische verklaring geen klachtonderdeel is onder artikel 10:3 van de Wvggz. Dit klachtonderdeel is daarom niet-ontvankelijk.

Tweede klachtonderdeel: niet eens met verplichte zorg

De Commissie is van oordeel dat de behandelaars in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder opname in de instelling en toediening van (antipsychotische) medicatie kan worden afgewend. De behandelaars hebben tevens voldoende duidelijk gemaakt dat medicatie in depotvorm vanwege het gebrek aan ziektebesef en therapietrouw bij klager de aangewezen vorm van behandeling is. Hierbij geldt dat blijkens de stukken en de verklaringen ter zitting behandeling met een antipsychoticum in het verleden doelmatig is gebleken. Het valt niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstige nadeel kan wegnemen. 

Hierbij merkt de Commissie op dat zij van klager heeft begrepen dat hij last heeft van bijwerkingen van de medicatie. Volgens de Commissie heeft de zorgverantwoordelijke in redelijkheid kunnen oordelen dat in dit geval het voordeel, te weten het voorkomen van psychiatrische verslechtering met risico op bovengenoemd ernstig nadeel, zwaarder moet wegen dan het door klager genoemde en ervaren nadeel.

De Commissie heeft kunnen vaststellen dat er een geldige zorgmachtiging aanwezig is die voorziet in de door de zorgverantwoordelijke toe te passen vormen van verplichte zorg,  en dat klager, conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz, op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd geïnformeerd is over de gedwongen behandeling met onder meer een opname in een accommodatie en medicatietoediening. 

Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat het tweede klachtonderdeel ongegrond moet worden verklaard.

Schadevergoeding

Nu de klachtonderdelen niet-ontvankelijk cq ongegrond zullen worden verklaard, is er naar het oordeel van de Commissie geen aanleiding tot toekenning van een schadevergoeding.

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart het eerste klachtonderdeel niet-ontvankelijk;
  • verklaart het tweede klachtonderdeel ongegrond; en
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af

Deze beslissing is op 16 april 2024 telefonisch aan betrokkenen meegedeeld. 

De schriftelijke beslissing is op 22 april 2024 aan betrokkenen verzonden. 

De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door X., voorzitter, X., lid psychiater en X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door X., ambtelijk-secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.