Ongegronde klacht over depotmedicatie


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken     

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 24 oktober 2023, door de klachtencommissie ontvangen op 25 oktober 2023, nummer 2310-141

Datum: 13 november 2023

Inleiding

De klachtencommissie is op 13 november 2023 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A., tegen B., gedateerd 24 oktober 2023, door de Klachtencommissie ontvangen op 25 oktober 2023.

Het betreft een procedure op grond van artikel 10:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Aanwezig

Klager: de heer A.;
bijgestaan door: mevrouw C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp). 

Zorgaanbieder: B. vertegenwoordigd door mevrouw D.,  psychiater.

Klachtencommissie: de heer X., voorzitter, jurist;
mevrouw X, lid, psychiater;
mevrouw X., lid, voorgedragen door de Cliëntenraad.

Secretaris: mevrouw X.

Stukken

De klachtencommissie, hierna te noemen de commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift, gedateerd 24 oktober 2023;
  2. het verweerschrift, gedateerd 6 november 2023;
  3. gegevens uit het (medisch/verpleegkundig) dossier van de heer A.

Samenvatting

De klacht houdt samengevat in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot toediening van depotmedicatie. De commissie komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Het verzoek van klager tot vergoeding van zijn schade wordt afgewezen. 

De feiten en omstandigheden

De commissie gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de volgende feiten en omstandigheden. 

Bij beschikkingen van 11 oktober 2022 en van 26 september 2023 heeft de Rechtbank ten aanzien van klager een (aansluitende) zorgmachtiging verleend voor het toedienen van medicatie, voor de duur van twaalf maanden.

Klager is sinds oktober 2022 in zorg bij E.. Hij is verwezen vanuit ACT voor overname van behandeling van schizofrenie. In het zorgplan staat verder onder andere vermeld dat bij klager sprake is van recidief psychotische episodes, geluxeerd door het stoppen van de medicatie en cannabisgebruik. 

Nadat medio 2023 volgens het behandelteam zichtbaar werd dat het psychiatrisch toestandsbeeld van klager verslechterde, heeft verweerster besloten over te gaan tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie. Klager is hierover bij beslissing ex art. 8:9 Wvggz van 17 augustus 2023 geïnformeerd. 

De behandelaar komt in deze beslissing verder tot het oordeel dat klager wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij nodig heeft. 

De klacht

Klager verzet zich tegen de volgende handeling/beslissing van de zorgaanbieder:

  •  toediening van depotmedicatie. 

In zijn klaagschrift heeft klager ook geklaagd tegen drie verplichte opnamen in 2020 en 2021. Ter zitting heeft de voorzitter klager medegedeeld dat klager deze klachten niet heeft onderbouwd, reden waarom dit onderdeel van de klacht niet verder behandeld zal kunnen worden. Als klager een beslissing van de commissie over deze klachten wenst, ligt het op zijn weg nader aan te geven op welke gronden deze verplichte opnamen naar zijn mening niet in overeenstemming waren met de wet.

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de commissie verzocht de bestreden handeling/beslissing van de zorgaanbieder te schorsen. Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder vervolgens voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van de beslissing tot toediening van depotmedicatie niet geschorst kan worden ter voorkoming van ernstig nadeel. De commissie heeft geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen en heeft daarop in een aparte beslissing, gedateerd 30 oktober 2023, het schorsingsverzoek afgewezen. De commissie zal zich dan ook beperken tot een oordeel over de klacht.

Schadevergoeding

Klager wenst een schadevergoeding te ontvangen. Hij heeft aangekondigd dat hij dit bij gegrondverklaring van de klacht met een nieuw document zal onderbouwen.

Het standpunt van klager

Klager zegt het niet eens te zijn met de gedwongen behandeling met depotmedicatie.

Ter toelichting heeft klager aangegeven dat hij geen stoornis heeft. Er is niets met hem aan de hand. Hij functioneert al jaren normaal. En ook nadat hij met de inname van de medicatie was gestopt, is er niets in zijn situatie veranderd. Hij heeft dan ook geen (depot)medicatie nodig. Wat hij in het verleden al eerder heeft ervaren en ook nu weer ervaart sinds hij de depotmedicatie krijgt toegediend, zijn de nare bijwerkingen van de medicatie. Hij heeft veel last van buikklachten, inactiviteit en pijn op de borst. Klager is voor dit laatste onlangs onderzocht bij een cardioloog en daar is gebleken dat er gelukkig niets aan zijn hart mankeert. De pijn op de borst en de overige klachten blijven echter wel aanwezig. 

Klager heeft verder het idee dat zijn behandelaren niet naar hem luisteren; hij wordt niet gehoord. Hoewel hij kan aantonen dat het goed met hem gaat, krijgt hij toch steeds medicatie voorgeschreven. Hierbij worden dan zaken uit het verleden herhaald om dit te rechtvaardigen; dit terwijl er volgens hem niets bijzonders aan de hand was. Hij kan de gebeurtenissen namelijk allemaal verklaren en uitleggen maar hij krijgt de kans niet om dat te doen. En hij begrijpt dat zijn familie zich soms zorgen om hem maakt, maar dat betekent nog niet dat hij dan behandeld moet worden met depotmedicatie.

De pvp heeft hieraan toegevoegd dat klager haar heeft verteld dat zich in het verleden incidenten hebben voorgedaan waar klager bij betrokken was, en dat deze steeds in zijn nadeel worden uitgelegd. Eén en ander staat echter helemaal verkeerd in zijn dossier maar deze incidenten worden wel steeds opnieuw aangehaald bij de beslissing om hem (weer) medicatie voor te schrijven. Klager is het hier niet mee eens. Daarenboven is gebleken dat hij zonder medicatie prima kan functioneren. De pvp stelt verder dat de medicatie niet effectief is, aangezien er in de toestand van klager ook na toediening van medicatie geen wijziging zou zijn opgetreden. 

Het standpunt van verweerder

De behandelaars hebben zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat (het toedienen van) depotmedicatie volstrekt noodzakelijk is ter afwending van ernstig nadeel. Het navolgende is aan dit standpunt ten grondslag gelegd. 

Uit de verweerschriften en uit hetgeen ter zitting besproken is, blijkt dat het toestandsbeeld van klager, nadat de eerder voorgeschreven medicatie conform het verzoek van klager is afgebouwd en op zijn eigen initiatief is gestopt, is verslechterd. Er werd een gedragsverandering in het kader van een beginnende psychotische ontregeling waargenomen. Er zijn door de behandelaren van klager diverse gesprekken met hem gevoerd over de noodzaak tot een medicamenteuze behandeling. Dit om weer de  stabiliteit te verkrijgen, die klager kende voordat hij met de medicatie stopte, alsook om een gedwongen opname en een verdere verslechtering van zijn toestandsbeeld te voorkomen. Vervolgens bleek dat klager ambivalent was in de bereidheid om de aangeboden medicatie te nemen. Aangezien dit al eerder is gebeurd, hebben zijn behandelaren besloten over te gaan tot het aanzeggen van verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie. 

Overeenkomstig artikel 8:9 Wvggz is klager vervolgens op 17 augustus 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk geïnformeerd over de beslissing om over te gaan tot verplichte zorg in de vorm van het toedienen van depotmedicatie. Daarnaast is door de behandelaren van klager een (aansluitende) zorgmachtiging  aangevraagd. 

Vervolgens is overlegd met de vertegenwoordiger van klager (zijn moeder) en is hij gewezen op de mogelijkheid om een klacht in te dienen. Hierna is nog een aantal weken geprobeerd klager te motiveren voor de vrijwillige inname van de medicatie maar dat bleek niet te lukken. Uiteindelijk is op 21 september 2023 besloten de depotmedicatie onder dwang toe te dienen. 

Het ernstige nadeel dat afgewend dient te worden bestaat volgens de zorgverantwoordelijke uit het risico op psychische schade bij klager, het risico op gevaarlijk gedrag van klager en het risico dat klager (weer) gedwongen opgenomen moet worden. Verweerster stelt dus kort weergegeven dat met de toediening van medicatie verdere ontregeling en een gedwongen opname is voorkomen. 

Overwegingen en oordeel

Klager stelt zich, gelet op de inhoud van het klaagschrift en de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de commissie begrijpt, op het standpunt dat er geen enkele aanleiding is voor een behandeling met antipsychotische medicatie, laat staan een gedwongen behandeling.  

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, niettemin op grond van een rechterlijke beslissing verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in de Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de commissie als volgt. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de commissie gebleken dat klager lijdt aan een psychische stoornis. De commissie heeft geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. De rechter is daar bij het verlenen van de zorgmachtiging ook van uit gegaan.

Er is daarnaast sprake van een risico op bovengenoemd ernstig nadeel indien klager de voorgeschreven medicatie niet zou gebruiken. Zonder medicatie is geen verbetering in het toestandsbeeld van klager te verwachten. Daarentegen heeft verweerster aannemelijk gemaakt dat zijn toestand dan verder zou verslechteren. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klager antipsychotica nodig.

De commissie is verder van oordeel dat de behandelend psychiater zo veel als mogelijk aan de wensen en voorkeuren van klager tegemoet is gekomen, maar dat dit tot nu toe niet tot overeenstemming heeft geleid. De commissie heeft vastgesteld dat verweerster na uitreiking van de beslissing tot toepassing van verplichte zorg meerdere pogingen heeft ondernomen om klager alsnog te motiveren tot acceptatie van medicatie op vrijwillige basis voordat uiteindelijk daadwerkelijk is overgegaan tot het toepassen van verplichte zorg.

De commissie is tevens van oordeel dat de zorgverantwoordelijke in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder een behandeling met antipsychotische (depot)medicatie kan worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. Zo is in het verleden al gezien dat een behandeling met antipsychotische medicatie een goed effect heeft (gehad) op het toestandsbeeld van klager. Het valt verder niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstige nadeel kan wegnemen. Hierbij merkt de commissie op dat zij van klager heeft begrepen dat hij last heeft van nare bijwerkingen van de medicatie. Volgens de commissie weegt in dit geval het voordeel, te weten het voorkomen van psychiatrische verslechtering met risico op bovengenoemd ernstig nadeel, zwaarder dan het door klager genoemde en ervaren nadeel.

Het verwijt van klager dat verweerster niet naar hem zou luisteren en geen aandacht zou geven aan de bijwerkingen die klager ervaart, vindt volgens de commissie geen steun in het dossier. Zij heeft aangeboden hem lichamelijk te onderzoeken, maar klager is daar niet op ingegaan. Blijkens het dossier is klager door de onafhankelijk psychiater bij de second opinion d.d. 3 november 2023 nog uitdrukkelijk geadviseerd om met verweerster in gesprek te gaan over de bijwerkingen en eventueel andere medicatie. De onafhankelijk psychiater heeft genoteerd dat klager dit niet wil. Ook tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat klager een dergelijk gesprek met verweerster niet wil aangaan. Hij geeft aan helemaal geen medicatie nodig te hebben.

Tot slot is klager conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz schriftelijk geïnformeerd over de (voorgenomen) gedwongen behandeling met (depot)medicatie. In dit kader merkt de commissie op dat zij heeft gezien dat in het dossier van klager kennelijk een niet-complete brief is opgeslagen. Ter zitting is echter voldoende duidelijk door de behandelaar uitgelegd – en door klager niet weersproken – dat op 17 augustus 2023 aan klager een brief met daarin de motivatie en overwegingen van de beslissing is overhandigd. 

Het geheel overziend is de commissie van oordeel dat de klacht over het verlenen van verplichte zorg in de vorm van (depot)medicatie ongegrond moet worden verklaard.  

Beslissing

De commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond
  • wijst het verzoek tot vergoeding van schade af.

De beslissing is op 14 november 2023 telefonisch aan alle betrokkenen meegedeeld.
De schriftelijke beslissing is op 20 november 2023 aan betrokkenen verzonden.
De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.