Medicatieklacht: ongegrond


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken  

Betreft:             BESLISSING

Inzake:             de klacht van de heer A., gedateerd 1 maart 2024, bij de Klachtencommissie binnengekomen op 4 maart 2024, nummer 2403-29

Datum:             18 maart 2024

Inleiding

De klachtencommissie is op 18 maart 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A. (hierna: klager) tegen B. (hierna: de zorgaanbieder, tevens verweerder). 

De klacht gaat over het nakomen van een verplichting of over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

Klager heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot bemiddeling door de Commissie. 

Aanwezig

Klager: de heer A.;
Bijgestaan door: mevrouw C., patiëntenvertrouwenspersoon; 

 Zorgaanbieder: B.,vertegenwoordigd door mevrouw D., psychiater, en de heer E., psychiater in opleiding. 

Stukken

De klachtencommissie (hierna: Commissie) had bij de behandeling van de klacht de beschikking over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift, ingekomen op 4 maart 2024;
  2. het verweerschrift, met bijlagen van de zorgaanbieder, ingekomen op 14 maart 2024. 

Samenvatting

De Commissie heeft een beslissing genomen naar aanleiding van een klacht van klager. De klacht heeft betrekking op de verplichte toediening van medicatie aan klager. Klager had zijn klacht ingediend in overeenstemming met artikel 10:3 van de Wet verplichte ggz (Wvggz). De Commissie heeft op basis van de stukken en de toelichting van partijen tijdens de hoorzitting besloten de klacht ongegrond te verklaren nu het nemen van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg voldoet aan de eisen voor en doelen van verplichte zorg uit de Wvggz.

De feiten en omstandigheden

Aan het dossier ontleent de Commissie het volgende. 

Op 31 oktober 2023 heeft de rechtbank F. ten aanzien van klager een zorgmachtiging verleend voor de periode tot en met uiterlijk 30 april 2024. Deze machtiging omvat verplichte zorg, onder meer in de vorm van het toedienen van medicatie. Klager is op grond van deze zorgmachtiging opgenomen in een accommodatie van de zorgaanbieder. 

Op 1 maart 2024 heeft de zorgverantwoordelijke aan klager een zogenoemde beslissingsbrief overhandigd, tot het verlenen van verplichte zorg ter uitvoering van de zorgmachtiging (art. 8:9 lid 2 Wvggz). De verplichte zorg bestaat onder meer uit het toedienen van medicatie. 

De klacht 

De klacht heeft betrekking op de beslissing tot het toedienen van medicatie van 1 maart 2024. 

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de Commissie verzocht de bestreden beslissing van 1 maart 2024 te schorsen. 

Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgaanbieder voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing tot toediening van medicatie niet geschorst kan worden ter voorkoming van ernstig nadeel. De Commissie heeft dan ook geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen en heeft daarop in een aparte beslissing, gedateerd 7 maart 2024, het schorsingsverzoek afgewezen.

Het standpunt van klager 

Kort weergegeven stelt klager zich op het standpunt dat ten onrechte uitvoering wordt gegeven aan de vorm van verplichte zorg ‘toediening medicatie’ zoals dat hem 1 maart 2024 door de zorgverantwoordelijke is aangezegd. Daartoe heeft klager het volgende aangevoerd. 

Klager is van mening dat de medicatie een negatieve invloed heeft op zijn fysieke gezondheid, iets wat voor hem, gezien het grote belang dat hij hecht aan zowel lichamelijke als geestelijke welzijn, onaanvaardbaar is. Bovendien stelt klager dat medicatie in zijn situatie overbodig is, aangezien hij op eigen kracht al vooruitgang boekt. In de periode voor de opname was hij al bezig om aan zichzelf te werken. Zo had hij zich aangemeld voor een muziekcursus en vrijwilligerswerk. Om sociaal te kunnen zijn is het voor klager belangrijk dat hij vrijheden krijgt en naar huis kan. Medicatie heeft hij daarbij niet nodig. 

Het standpunt van verweerder

Kort weergegeven stelt verweerder zich op het standpunt dat de klacht van klager ongegrond moet worden verklaard. Dit vanwege het volgende.

Klager, gediagnosticeerd met schizofrenie, werd op 29 februari 2024 in het kader van een zorgmachtiging opgenomen, volgend op een eerdere vrijwillige opname bij G. Deze opname heeft niet geleid tot verbeteringen van het toestandsbeeld, mede vanwege klagers verzet tegen een behandeling met medicatie. Gedurende de huidige opname manifesteert zich een persistente psychotische symptomatologie, gekenmerkt door desorganisatie en voornamelijk negatieve symptomen, alsook gedragingen die wijzen op de aanwezigheid van wanen. Hoewel klager geen medicatie wenst, werkt hij mee aan zijn behandeling met aripiprazol in een dosering van 10 mg waarvan het effect nog moet worden afgewacht. Deze behandeling is nodig gezien de ernst van de negatieve symptomen waarbij klager zich steeds meer is gaan terugtrekken uit sociale contacten en de zelfzorg sterk achteruitgegaan is waardoor tevens maatschappelijke teloorgang dreigt. Tot nu toe heeft een opname zonder medicatie hierin geen verandering teweeggebracht. Tevergeefs zijn er pogingen gedaan om klager in een ambulant kader te behandelen, maar klager is niet bereid mee te werken aan zijn behandeling. 

Overwegingen en oordeel

Algemeen 

De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een hier aan de orde zijnde (machtiging tot voortzetting van een) crisismaatregel op grond van artikel 8:9 Wvggz beslissen tot het verlenen van verschillende vormen van verplichte zorg. 

Aan de uitvoering van verplichte zorg stelt de wet een groot aantal inhoudelijke en formele eisen. Uit artikel 3:3 en 3:4 van de Wvggz volgt dat verplichte zorg verleend kan worden indien het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel en: 

  1. er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn; 
  2. er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn; 
  3. het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg evenredig is; en 
  4. redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. 

De Commissie redeneert als volgt. 

Voor zover klager bedoeld heeft te klagen over het feit dat bij hem geen sprake is van een psychische stoornis, gaat de Commissie daaraan voorbij nu verweerder voldoende heeft onderbouwd dat klager lijdt aan een psychische stoornis. Voorts leveren de door verweerder gestelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van de Commissie voldoende grond op om aan te nemen dat het gedrag van klager als gevolg van deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, voornamelijk gelegen in ernstige psychische schade, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. 

Op grond van de stukken en hetgeen partijen ter zitting over en weer hebben verklaard, concludeert de Commissie dat een behandeling met medicatie voor situaties waarin klager verkeert, de meest aangewezen behandeling is en dat aldus met medicatie het ernstig nadeel kan worden weggenomen. De Commissie acht de ingezette medicamenteuze behandeling noodzakelijk voor klager, omdat volgens de zorgverantwoordelijke zonder deze behandeling geen verbetering zal optreden in het huidige toestandsbeeld waardoor klager –onder meer- het aanmerkelijke risico loopt maatschappelijk teloor te gaan. Gebleken is verder dat overeenstemming over vrijwillige inname van medicatie niet te bereiken is en dat er eerder meerdere vergeefse pogingen zijn gedaan om klager in een vrijwillig kader te behandelen. Dan resteert er naar het oordeel van de Commissie voor de zorgverantwoordelijke geen andere mogelijkheid dan de behandeling onder dwang toe te passen. De Commissie erkent onmiskenbaar de inspanningen van klager, echter is ook duidelijk geworden dat het gestelde doel, het wegnemen en voorkomen van ernstig nadeel, niet zonder medicamenteuze interventie gerealiseerd kan worden. De Commissie zal de klacht daarom ongegrond verklaren. 

De beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond. 

De beslissing is op 19 maart 2024 mondeling medegedeeld aan partijen.
De schriftelijke beslissing is op 4 april april 2024 aan betrokkenen verzonden. 

Deze beslissing is gegeven door mevrouw X., voorzitter, mevrouw X., lid, psychiater en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door de heer X., ambtelijk-secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.