Klacht tegen verplichte opname en medicatie zonder juridische titel


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken

Betreft: BESLISSING   

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 25 mei 2023, bij de klachtencommissie binnengekomen op 8 juni 2023, nummer 2306-74.

Datum: 31 juli 2023 

Inleiding

Met een klaagschrift, gedateerd 25 mei 2023, bij de klachtencommissie binnengekomen op 8 juni  2023, heeft de heer A. een klacht ingediend bij Klachtencommissie GGZ Amsterdam e.o. (hierna: de commissie). Hij werd hierin bijgestaan door een patiëntenvertrouwenspersoon (pvp), de heer B.. De heer A. heeft afgezien van de geboden mogelijkheid om ter zitting door de commissie gehoord te worden. Desgevraagd heeft ook de verwerend behandelaar afgezien van het recht te worden gehoord. 

Het betreft een procedure op basis van artikel 10:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

De commissie heeft kennisgenomen van het klaagschrift met bijlagen, alsmede van het verweerschrift van mevrouw C., psychiater, verbonden aan kliniek D. (hierna: de instelling), onderdeel van E., ongedateerd, bij de klachtencommissie binnengekomen op 23 juni 2023. Vervolgens heeft de commissie kennisgenomen van de reactie van de heer A. op het verweerschrift (gedateerd 12 juli 2023, ontvangen 13 juli 2023) en de reactie daar weer op van mevrouw C. (ongedateerd, ontvangen op 25 juli 2023).

De klacht is door de commissie op 31 juli 2023 in raadkamer behandeld in de volgende samenstelling: 

  • de heer X, voorzitter; 
  • mevrouw X, psychiater;
  • mevrouw X, lid, voorgedragen door de Cliëntenraad.

De commissie is ambtelijk ondersteund door mevrouw X.

Samenvatting

De klacht houdt zakelijk samengevat in dat klager de instelling verwijt hem gedurende een periode van 24 dagen tegen zijn wil te hebben opgenomen in de instelling en medicatie te hebben toegediend, zonder dat daar een juridische titel (zorgmachtiging of crisismaatregel) aan ten grondslag lag.  De commissie komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen. 

De feiten

Op grond van de stukken stelt de commissie de volgende feitelijke gang van zaken vast. 

De heer A. is gediagnosticeerd met een psychische stoornis, te weten een schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis.

Bij beschikking van 23 juli 2020 heeft de Rechtbank F. (hierna: de rechtbank) ten aanzien van de heer A. een zorgmachtiging verleend voor – onder andere – een opname in een accommodatie en het toedienen van medicatie, voor de duur van zes maanden, dus tot en met 23 januari 2021. Het FACT-team van E. heeft op 18 december 2020 een aanvraag gedaan bij het openbaar ministerie (OM) voor een zorgmachtiging aansluitend op een zorgmachtiging. Het verzoek van de officier van justitie (OvJ) hiertoe is vervolgens op 22 december 2020 bij de griffie van de rechtbank binnengekomen. De zitting hierover heeft op 9 februari 2021 plaatsgevonden. Hierin besloot de rechtbank het verzoek aan te houden tot 18 februari 2021, waarbij vóór die datum een nieuwe medische verklaring moest worden aangeleverd. De rechtbank heeft vervolgens op 18 februari 2021 opnieuw een zorgmachtiging ten behoeve van de heer A. verleend. 

De heer A. werd op 24 december 2020 opgenomen in de instelling. Op 5 februari 2021 werd door de instelling een crisismaatregel aangevraagd -die door de burgemeester van G. ook daadwerkelijk werd verleend- in verband met een ontslagwens van de heer A.. Op 9 februari 2021 is een voortzetting van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel afgegeven door de rechtbank (in dezelfde zitting waarin werd besloten het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging aan te houden). 

De klacht

In zijn klaagschrift neemt de heer A. het standpunt in dat hij in de periode van 12 januari 2021 tot en met 4 februari 2021 (een periode van 24 dagen) tegen zijn wil in de instelling opgenomen is geweest en medicatie heeft toegediend gekregen, zonder dat daar een juridische titel (zorgmachtiging of crisismaatregel) aan ten grondslag lag. 

Schadevergoeding

De heer A. wenst een schadevergoeding te ontvangen. De pvp heeft namens de heer A. verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen van € 80,00 voor elke dag dat hij tegen zijn wil is opgenomen geweest en medicatie heeft gekregen zonder dat daar een juridische titel voor was. De gevraagde schadevergoeding bedraagt aldus 24 keer € 80,00, te weten een bedrag van in totaal € 1.920,00.

Het standpunt van klager 

De heer A. heeft in zijn klaagschrift gesteld dat hij op 24 december 2020 opgenomen werd in de instelling, en in de periode daarna herhaaldelijk tegen de behandelaars heeft gezegd dat hij wel naar huis kon. De behandelaars zeiden hem echter dat dit niet mocht. Ook kreeg hij in die periode medicatie toegediend. Achteraf bleek dat er gedurende een deel van zijn verblijf in de instelling geen geldige zorgmachtiging aanwezig was. De zorgmachtiging die bij het begin van de opname nog geldig was, zou oorspronkelijk verlopen op 24 januari 2021. De pvp heeft toegelicht dat deze datum echter wijzigde door de aanvraag van een nieuwe zorgmachtiging op 18 december 2020. Door deze aanvraag, die op 22 december 2020 bij de rechtbank is binnengekomen, wijzigde- op grond van artikel 6:2 Wvggz in samenhang met artikel 6:6 aanhef en lid 2 Wvggz –  de verloopdatum van de toen geldende zorgmachtiging naar 11 januari 2021 (in plaats van 24 januari 2021). De pvp heeft aldus gesteld dat er vanaf 11 januari tot aan de verlenging van de crisismaatregel op 5 februari 2021 geen geldige juridische titel was voor het verlenen van verplichte zorg. 

De pvp heeft naar voren gebracht dat de instelling, door op 18 december 2020 een aansluitende zorgmachtiging aan te vragen, al aangaf dat de heer A. dusdanig ambivalent over zijn opname was dat de instelling grond zag voor verplichte zorg. Hierdoor zou de genoemde vrijwilligheid van de opname (zoals door de instelling in eerdere contacten met de heer A. genoemd) met een flinke korrel zout genomen moeten worden. Ook heeft de pvp gesteld dat de geneesheer-directeur in een reactie op een eerder rechtstreeks gedaan verzoek om schadevergoeding heeft erkend dat “ de heer A. enkele dagen heeft verbleven zonder geldige titel.”

In de reactie op het verweerschrift heeft de heer A. onder meer naar voren gebracht:  “[…]Kort gezegd geeft de instelling aan dat dhr A. vrijwillig op de instelling verbleef in de periode dat er geen juridische grondslag was voor de gedwongen opname, voor de gedwongen behandeling middels medicatie en de beperking van de vrijheden. 

In zijn klacht en als reactie op het verweer geeft dhr A. aan dat hij het wel als gedwongen heeft gezien. Niet alleen het gedwongen verblijf maar ook het niet naar buiten mogen. Zeker omdat hem verteld is dat hij niet naar huis kon toen hij aangaf dat wel te willen. […]

Dhr A. is opgenomen op 24 december. Op 19 december is er een zorgmachtiging aangevraagd. Kennelijk ging de instelling er al van uit dat er verplichte zorg nodig was. 

De instelling geeft aan dat ze geen bericht heeft gekregen dat de rechtbank de beslistermijn niet kon halen. Dat neemt niet weg dat de instelling zelf de verantwoordelijkheid heeft om te zorgen dat er een juridische grondslag is. Dat heeft de instelling niet gedaan toen de zorgmachtiging op 11 januari verliep. 

De noodzaak van de zorgmachtiging om de verplichte zorg te rechtvaardigen is dus door de instelling zelf verklaard alleen al door de aanvraag van de zorgmachtiging. 

Vervolgens geeft de instelling aan dat “toen ze in de gaten kregen dat client reeds zonder zorgmachtiging 4 dagen zonder zorgmachtiging opgenomen was ze meteen een crisismachtiging hebben aangevraagd.  

Hiermee geeft de instelling zelf ook het belang en de noodzaak van de juridische grondslag aan, immer ze hadden op basis van de veronderstelde vrijwilligheid ook de toekenning van de zorgmachtiging kunnen afwachten welke in principe enkele dagen later op 9 februari behandeld zou worden. [….]

Vervolgens geeft de instelling wederom in de aanvraag van de zorgmachtiging en tijdens de zitting op 9 februari aan dat dhr zeer wisselend was tav de opname (de wens om te blijven. ) Hiermee geeft de instelling zelf aan dat dhr ook zelf heeft aangegeven niet te willen blijven en dit afwisselde met momenten van instemming. Dat is geen vrijwilligheid dat is een afwisseling van meegaandheid en van onvrijwilligheid welke zeer terecht door de instelling aanleiding was om hierin juridische duidelijkheid te willen verschaffen. 

Het wekt ook bevreemding op als de instelling in het verweer aangeeft dat dhr A. zelf instemde met verblijf zonder machtiging terwijl de instelling op verschillende manieren ook aangeeft te weten dat die vrijwilligheid niet altijd aanwezig was. Hiermee doet de instelling dhr A. geen recht. Immers dhr A. geeft aan naast momenten van vrijwilligheid ook herhaaldelijk te hebben aangegeven naar huis te willen, (te horen te hebben gekregen dat dat niet mocht) en geeft voorgaande ook aan tijdens de zitting op 9 februari. […]”

Het standpunt van verweerder 

Uit het verweerschrift van mevrouw C. (hierna: de behandelaar) blijkt dat zij van mening is dat de heer A. vrijwillig in de instelling verbleef en vrijwillig medicatie kreeg toegediend. De heer A. had zich vrijwillig laten opnemen in december 2020, en ook daarna was zijn verblijf in de instelling vrijwillig. De behandelaar heeft meerdere gesprekken gevoerd met de heer A. over de vrijwilligheid van zijn verblijf. Volgens haar bleef de heer A. zich coöperatief opstellen. Toen de heer A. zich wel verzette tegen de opname, is een crisismaatregel aangevraagd, omdat de zorgmachtiging inmiddels was verlopen. Het was de bedoeling van de instelling geweest om deze te verlengen, maar door drukte op de rechtbank (coronacrisis) werd de aanvraag hiertoe te laat op zitting behandeld (en dit werd weer te laat aan de instelling gecommuniceerd). Verder stelt de behandelaar dat de heer A. geen schade heeft geleden als gevolg van zijn opname en de medicatie. De zorg werd namelijk op vrijwillige basis verleend en was noodzakelijk vanwege het ziektebeeld. 

In haar tweede verweerschrift (als reactie op de reactie van de heer A. op het eerste verweerschrift) zegt de behandelaar onder meer: 

“[…] Dhr. A. voert aan dat het bestaan van de zorgmachtiging impliceert dat er verplichte zorg wordt verleend. Dit is onjuist. In de praktijk wordt vaak vrijwillige zorg verleend ondanks de zorgmachtiging. Het bestaan van de zorgmachtiging is in die gevallen voldoende om cliënten te behandelen. Bij dhr. A. was dit ook het geval. De instelling wil voorkomen dat verplichte zorg te snel wordt verleend. Het uitgangspunt is vrijwillige zorg en dit kan naast een zorgmachtiging bestaan. De zorgmachtiging is nodig om snel te kunnen schakelen, mocht vrijwillige zorg niet langer mogelijk zijn.”

Uit de meegestuurde rapportages blijkt volgens de behandelaar de vrijwilligheid van het verblijf van de heer A. in de instelling. De behandelaar heeft veel gesprekken met de heer A. gevoerd, omdat hij ambivalent was in zijn wens te blijven. Pas op 5 februari 2021 is de heer A. consistent in zijn wens de instelling te verlaten. Hierop vraagt de behandelaar meteen een crisismaatregel aan. 

De reden voor het niet alleen naar buiten mogen van de heer A. is volgens de behandelaar dat hij zich onveilig gedraagt in het verkeer. In de rapportages staat hierover onder meer opgetekend:

“28-01-2021 door C.:

[…] B/ bij ontslagwens een CM. gevaar is oa katatonie die nu in vroege remissie is met 12 mg lorazepam. thuis zal pt de medicatie niet in gaan nemen. grootste gevaar is dat hij niet alleen naar buiten kan, omdat hij bij stoplichten niet goed oplet en zomaar door rood kan lopen (en daardoor aangereden kan worden). om die reden krijgt pt al vier weken enkel begeleide vrijheden.’ “

De behandelaar stelt verder nog dat zij wel met de heer A. ten onrechte over een verblijf zonder zorgmachtiging en een schadevergoeding heeft gesproken, omdat zij zelf een gedachtefout maakte. Zij stelt: 

“*Ondanks dat meneer vrijwillig was opgenomen sinds 24 december 2020 is er door het bericht van de rechtbank dat de zitting niet is gepland, verwarring ontstaan bij mij. Meneer had sinds 23 juli 2020 een ZM. Onder deze ZM is er geen verplichte zorg verleend in de vorm van een opname. De ZM verliep op 23 januari 2021. Door het bericht van de rechtbank dat er geen zitting was gepland, heb ik de denkfout gemaakt dat wij meneer onder een ZM hadden opgenomen in december 2020 hetgeen niet het geval was. Dit heeft tot gevolg gehad dat in het verdere vervolg ook als zodanig is genoteerd in het medisch dossier.”

Overwegingen en oordeel

De heer A.  vraagt een beslissing van de commissie over de klacht inzake zijn opname en toegediende medicatie in de periode vanaf 11 januari 2021 tot en met 4 februari 2021. 

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn.

De commissie ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of sprake is van verplichte zorg. Voor een bevestigend antwoord op die vraag is vereist dat de heer A. lijdt aan een geestelijke stoornis en vanaf 11 januari 2021 tot en met 4 februari 2021 een behandeling kreeg opgelegd zonder dat hij daar zelf toestemming voor had gegeven en zich daar dus tegen heeft verzet in de zin van artikel 1:4 Wvggz. Als ondanks verzet van betrokkene zorg wordt verleend, is immers pas sprake van verplichte zorg. 

Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de commissie voldoende dat bij de heer A. sprake is van een psychische stoornis, in de vorm van een schizofreniespectrumstoornis. Tevens blijkt uit het dossier dat het gedrag van de heer A. als gevolg van zijn stoornis in de periode vanaf 24 december 2020 leidde tot ernstig nadeel, gelegen in onder meer ernstig lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang. Ter afwending van dit ernstig nadeel had de heer A.  eind december 2020 zorg nodig.

De commissie concludeert dan ook dat de behandeling met een opname en toediening van medicatie noodzakelijk is geweest. De vraag die voorligt is of deze behandeling in de periode van 11 januari 2021 tot en met 4 februari 2021, waarin geen sprake was van een zorgmachtiging, vrijwillig of verplicht heeft plaatsgevonden, en of de heer A. daarbij verzet heeft laten zien. De commissie stelt vast dat de lezingen van de heer A. en de behandelaar hierover uiteenlopen. 

Dhr. A. voert onder meer aan dat het bestaan van de zorgmachtiging impliceert dat er verplichte zorg wordt verleend. De commissie is het met de instelling eens dat dit een onjuiste aanname is. In de praktijk wordt vaak vrijwillige zorg verleend ondanks het bestaan van een zorgmachtiging. Het uitgangspunt bij behandeling is altijd vrijwillige zorg en deze kan plaatsvinden ondanks dat er ook een zorgmachtiging is. De zorgmachtiging is nodig om snel te kunnen schakelen, mocht vrijwillige zorg niet langer mogelijk zijn. 

De commissie is van oordeel dat de behandelaar voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de heer A. zich in december 2020 vrijwillig heeft laten opnemen en behandelen. Uit de rapportages uit deze periode blijkt dat de heer A. zelf om zijn opname heeft verzocht en daarna vrijwillig in de instelling verbleef. Dat hij naderhand ambivalent was in zijn wens in de instelling te blijven, doet niets af aan deze vrijwilligheid. De rapportages maken duidelijk dat de behandelaar meerdere gesprekken met de heer A. heeft gevoerd en dat hij steeds weer te overtuigen was zijn behandeling vrijwillig voort te zetten. Toen de heer A. zich op 5 februari 2023 wel verzette en bleef verzetten tegen de opname of de medicatie, heeft de behandelaar direct een crisismaatregel aangevraagd.

De commissie merkt op dat het in de praktijk gebruikelijk is bij een cliënt die ambivalent is in zijn wensen, eerst in gesprek te gaan. Er wordt dan niet direct verplichte zorg aangezegd. Pas als een cliënt consistent is in zijn (in dit geval) ontslagwens, dient een behandelaar ofwel verplichte zorg aan te zeggen (in het geval er een zorgmachtiging is), ofwel een crisimaatregel aan te vragen. De behandelaar heeft geen van beide gedaan, omdat de heer A. steeds weer instemde met een vrijwillige behandeling, zo blijkt uit de stukken.  De commissie is dan ook van oordeel dat de heer A. van 11 januari 2021 tot en met 4 februari 2021 vrijwillig werd behandeld en dat van verplichte zorg (zonder juridische grondslag) geen sprake was.  

De commissie stelt verder vast dat de procedure inzake de aansluitende zorgmachtiging door de achterstand bij de rechtbank voor verwarring heeft gezorgd bij de behandelaar, waardoor zij ten onrechte mededelingen over het ontbreken van een zorgmachtiging en een eventuele schadevergoeding aan de heer A. heeft gedaan. Deze mededelingen zijn later nogmaals bevestigd door een bericht namens de geneesheer-directeur, gedateerd 23 februari 2023. De commissie vindt het begrijpelijk dat dit tot (onterechte) verwachtingen bij de heer A. heeft geleid. Ondanks dat dit te betreuren is, zorgt dit er niet voor dat de klacht gegrond kan worden verklaard, nu de commissie heeft geoordeeld dat geen sprake was van verplichte zorg in de genoemde periode. 

Het geheel overziend is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. 

Schadevergoeding

Nu de klacht ongegrond zal worden verklaard, is er naar het oordeel van de commissie geen aanleiding tot toekenning van een schadevergoeding. 

Beslissing

De commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond;
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

De schriftelijke beslissing is op 7 augustus 2023 aan betrokkenen verzonden.