Klacht over verplichte medicatie: ongegrond


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van mevrouw A., gedateerd 17 oktober 2023, door de klachtencommissie ontvangen op 19 oktober 2023, nummer 2310-137

Datum: 6 november 2023

Inleiding

De klachtencommissie is op 6 november 2023 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van mevrouw A., tegen B., gedateerd 17 oktober 2023, door de Klachtencommissie ontvangen op 19 oktober 2023.

Het betreft een procedure op grond van artikel 10:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

Aanwezig

Klaagster: mevrouw A.;
bijgestaan door: haar echtgenoot en dochter. 

Zorgaanbieder: B., vertegenwoordigd door de heer C., psychiater;
de heer D., arts;
mevrouw E., arts.

Klachtencommissie: mevrouw X, voorzitter, jurist;
mevrouw X, lid, psychiater;
mevrouw X, lid, voorgedragen door de Cliëntenraad.

Secretaris: mevrouw X.

Stukken

De klachtencommissie, hierna te noemen de commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift, gedateerd 17 oktober 2023;
  2. het verweerschrift, gedateerd 31 oktober 2023;
  3. gegevens uit het (medisch/verpleegkundig) dossier van mevrouw A.

Samenvatting

De klacht houdt samengevat in dat klaagster zich niet kan vinden in het besluit tot toediening van medicatie. De commissie komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. 

De feiten en omstandigheden

De commissie gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de volgende feiten en omstandigheden. 

In het zorgplan staat onder andere vermeld dat klaagster sinds 1980 bekend is bij de GGZ en dat zij gediagnosticeerd is met een psychotische stoornis, waarvoor zij in 1985 en 2005 gedwongen opgenomen is geweest. Vanaf 2007 tot 2017 is klaagster (medicamenteus) behandeld door een vrijgevestigde psychiater. Vanaf 2019 tot begin 2023 is klaagster (medicamenteus) behandeld door de Basis GGZ. Nadat de medicatie -in overleg- was afgebouwd en klaagster uiteindelijk volledig met de medicatie is gestopt, verslechterde haar toestandsbeeld. Vervolgens is zij op 18 september 2023 met een crisismaatregel  opgenomen in kliniek F. in G.. 

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klaagster op 17 oktober 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de toen geldende machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. In de schriftelijke kennisgeving is ‘het toedienen van medicatie’ aangekruist als de aan haar te verlenen vorm van verplichte zorg. 

De beslissing van 17 oktober 2023 vermeldt dat het verlenen van verplichte zorg noodzakelijk is. In de toelichting is opgenomen: ‘Uw gedrag leidt, als gevolg van een psychische stoornis, te weten een manisch-psychotische ontregeling bij een bipolaire stoornis, tot ernstig nadeel’.  

De behandelaar komt in deze beslissing verder tot het oordeel dat klaagster wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die zij nodig heeft. In de toelichting is opgenomen: ‘Ik acht u niet in staat tot een redelijke waardering van het belang dat u op langere termijn adequaat wordt behandeld voor uw bipolaire stoornis, ook als u niet meer opgenomen bent. Zowel mijn constatering als van uw echtgenoot en dochter dat er sprake is van medicatie-ontrouw, wijst u af’.   

Bij beschikking van 27 oktober 2023 heeft de Rechtbank H. (hierna: de rechtbank) ten aanzien van klaagster een (aansluitende) zorgmachtiging verleend voor het toedienen van medicatie, voor de duur van zes maanden.

De klacht

Klaagster verzet zich tegen de volgende handeling/beslissing van de instelling:

  •  toediening van medicatie. 

Het standpunt van klaagster

Klaagster zegt het niet eens te zijn met de gedwongen behandeling met medicatie.

Ter toelichting heeft klaagster aangegeven dat zij geen stoornis heeft. Zij heeft in het verleden wel stress ervaren van een aantal gebeurtenissen in haar leven. Zo is er binnen haar familie veel gebeurd, Daarna is zij de laatste twee jaren behoorlijk ‘overwerkt’ geweest, onder andere door het thuiswerken als gevolg van Covid. Mede door een opeenstapeling van andere factoren, zowel privé als zakelijk, is zij de afgelopen tijd behoorlijk ‘de weg kwijtgeraakt’. Na haar opname op de afdeling in september 2023 ging het echter al weer snel beter met haar. Zij zorgt goed voor zichzelf en zij ervaart geen klachten meer. Zij gaat de laatste tijd steeds vaker naar huis en ook daar gaat het goed. 

Ten aanzien van de medicatie heeft klaagster opgemerkt dat zij het door haar behandelaren voorgestelde Haldoldepot niet wil. Dit is volgens haar een ‘oud’ middel en zij heeft er geen vertrouwen in. Ook andere depotmedicatie wil zij niet. Zij is bang dat zij dan last krijgt van nare bijwerkingen, zoals stijfheid en spierpijn. Zij wil in overleg met haar behandelaren mogelijk wel medicatie in tabletvorm innemen.  

Klaagster heeft tot slot herhaald dat het nu weer goed met haar gaat. Zij wil graag zo spoedig als mogelijk naar huis. 

Het standpunt van verweerder

De behandelaars hebben zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat (het toedienen van) medicatie volstrekt noodzakelijk is ter afwending van ernstig nadeel. Het navolgende is aan dit standpunt ten grondslag gelegd. 

Uit de verweerschriften en uit hetgeen ter zitting besproken is, blijkt dat het toestandsbeeld van klaagster, nadat de eerder voorgeschreven medicatie conform het verzoek van klaagster is afgebouwd en op haar eigen initiatief is gestopt, is verslechterd. Dit heeft ertoe geleid dat klaagster op 18 september 2023 gedwongen is opgenomen. Klaagster is op de afdeling herstellende van een manisch-psychotische ontregeling. 

Vanaf het begin van de opname zijn door de behandelaren van klaagster diverse gesprekken met haar en haar familie gevoerd over de noodzaak tot het medicamenteus behandelen van de manie. Dit om weer de langdurige stabiliteit te verkrijgen, die klaagster voor de opname kende. Vervolgens bleek dat klaagster ambivalent was in de bereidheid om de aangeboden medicatie te nemen. Aangezien dit al eerder is gebeurd, hebben haar behandelaren besloten over te gaan tot het aanzeggen van verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie. 

Overeenkomstig artikel 8:9 Wvggz is klaagster vervolgens op 17 oktober 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk geïnformeerd over de beslissing om over te gaan tot verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie. 

Het ernstige nadeel dat afgewend dient te worden bestaat volgens de zorgverantwoordelijke uit het risico op maatschappelijke teloorgang, psychische schade bij derden en bij klaagster  zelf alsmede agressie jegens anderen.

Overwegingen en oordeel

Klaagster stelt zich, gelet op de inhoud van het klaagschrift en de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de commissie begrijpt, op het standpunt dat zij het niet eens is met de beslissing dat zij een gedwongen behandeling met antipsychotische medicatie aangezegd heeft gekregen.  

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, niettemin op grond van een rechterlijke beslissing verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat  -eenvoudig gezegd- het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens het gestelde in de Wvggz, plaats te vinden krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

Bovenstaand in acht nemend overweegt de commissie als volgt. 

Uit de overgelegde stukken is volgens de commissie gebleken dat klaagster lijdt aan een psychische stoornis. De commissie heeft geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. 

Er is daarnaast sprake van een risico op maatschappelijke teloorgang, psychische schade bij derden en bij klaagster zelf alsmede agressie jegens anderen indien geen verbetering in het toestandsbeeld van klaagster optreedt. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klaagster zorg nodig.

De commissie is verder van oordeel dat de zorgverantwoordelijke in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder een behandeling met antipsychotische (depot)medicatie kan worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. Zo is in het verleden al gezien dat een behandeling met medicatie  een goed effect heeft (gehad) op het toestandsbeeld van klaagster. Het valt verder niet te verwachten dat een andere, minder ingrijpende, behandeling het ernstige nadeel kan wegnemen. 

Tot slot is klaagster conform het gestelde in artikel 8:9 Wvggz op deugdelijke wijze schriftelijk gemotiveerd geïnformeerd over de (voorgenomen) gedwongen behandeling met (depot)medicatie. 

 Het geheel overziend is de commissie van oordeel dat de klacht over het verlenen van verplichte zorg in de vorm van (depot)medicatie ongegrond moet worden verklaard.  

Beslissing

De commissie: 

  • verklaart de klacht ongegrond.

De beslissing is  op 7 november 2023 telefonisch aan alle betrokkenen meegedeeld.
De schriftelijke beslissing is op 13 november 2023 aan betrokkenen verzonden.
De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.