Klacht over verplichte medicatie


Uitspraak

Klachtnummer: 24.02.491

 

De klachtencommissie van Parnassia Groep

heeft het volgende overwogen en geoordeeld omtrent de klacht van:

 

NAAM

Geboren op DATUM

hierna: klager,

 

tegen

 

NAAM, psychiater

NAAM, psychiater

NAAM, geneesheer-directeur

 

hierna: verweerders

verbonden aan INSTELLING

 

 

De procedure

Bij brief van DATUM heeft klager zich gewend tot de Klachtencommissie van Parnassia Groep (verder te noemen: de commissie) met een klacht. Het betreft een klacht op grond van artikel 10:3 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz).

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift van DATUM, ontvangen op DATUM;
  • het verweerschrift van DATUM.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op DATUM. Daar zijn verschenen klager en psychiater NAAM, namens verweerders.

 

  1. De klacht en het standpunt van partijen

Klager stelt dat zijn dossier vol staat met onwaarheden op grond waarvan de behandelaren een onjuiste diagnose hebben vastgesteld. Hij mankeert psychisch niets, zo lang hij met rust wordt gelaten door de indringers die zijn privacy schenden door af te luisteren en in zijn woning te kijken. Klager is het niet eens met de depotmedicatie die hij verplicht krijgt. Dit besluit is ook genomen op basis van verkeerde informatie. Hij wil dan ook dat de zorgmachtiging wordt opgeheven en dat de depotmedicatie wordt gestaakt.

Verweerders hebben het volgende naar voren gebracht.

Klager is per DATUM bij INSTELLING in zorg gekomen. Op DATUM werd hij vrijwillig opgenomen bij INSTELLING nadat hij zijn orale medicatie had gestaakt, was afgevallen, slecht at slecht sliep en angstig was. Toen hij inname van olanzapine weigerde tijdens opname werd een zorgmachtiging aangevraagd en werd klager ingesteld op een olanzapine depot, waarna hij minder angstig was bij de nog altijd aanwezig paranoïde wanen en betrekkingswanen. Onder invloed van deze wanen verhuisde hij DATUM naar onze regio

Het beeld is stabiel sindsdien: klager verzorgt zichzelf goed, is wel bezorgd door zijn belevingen maar niet evident angstig. Hij komt trouw naar de afspraken bij de verpleegkundige voor zijn depot. Het risico op toename van angst bij staken van het depot achten wij dusdanig groot, dat we niet meegaan in de wens van klager om de depots te staken. Ook omdat een toename van angst weer kan leiden tot slecht eten en drinken, en verhuizen of zelfs rondzwerven. Na verhoging van het depot afgelopen jaar zien wij dat klager vaker over andere onderwerpen spreekt, dan de indringer. Hij is verhuist binnen de regio, en laat nu ook bezoek van de verpleegkundige toe in zijn woning.

De diagnose schizofrenie is duidelijk gezien de aanwezige formele denkstoornissen (oa neologismen), de wanen en akoestische en vermoedelijk ook tactiele hallucinaties. De bezetters/indringers kunnen door ons niet worden waargenomen, we gaan er van uit dat deze onderdeel uit maakt van de wanen bij klager.

De depots zijn doelmatig bij het afwenden ernstige nadeel doordat de angst bij psychotische belevingen verminderd is en hierdoor klager zichzelf goed verzorgd. Het is subsidiair: in verleden zijn er meerdere pogingen gedaan om orale medicatie voor te schrijven, echte hierbij staakte klager zijn medicatie. Ook zijn de depots proportioneel aan de ernstige lichamelijks complicaties die zullen optreden als klager zijn diabetes medicatie niet meer gebruikt, slecht eet en afvalt.

 

  1. De beoordeling

Klager heeft geen toestemming gegeven voor inzage in zijn medisch dossier. Derhalve zijn alleen de ingediende klacht, het verweerschrift en de informatie vanuit de hoorzitting betrokken bij de behandeling van de klacht.

Klager stelt zich, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de commissie begrijpt, op het standpunt dat een behandeling met antipsychotische medicatie niet nodig is.

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn.

Bovenstaand in acht nemend overweegt de commissie als volgt.

De commissie heeft geen reden te twijfelen aan de op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose dat klager lijdt aan schizofrenie. Hoewel klager de stoornis en/of het toestandsbeeld ontkent (klager geeft aan dat hem niets mankeert), heeft de commissie geen reden te aan te nemen dat de diagnose is vastgesteld op grond van onjuiste informatie.

Daarbij hebben verweerders naar het oordeel van de commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ernstig nadeel, voornamelijk gelegen in een groot risico op onder meer maatschappelijke teloorgang en ernstige zelfverwaarlozing indien de antipsychotische medicatie die klager gebruikt, niet gehandhaafd blijft. De commissie is het met verweerders eens dat het staken van het depot niet wenselijk is omdat het risico op een terugval bij klager erg groot is. Daarbij overweegt de commissie dat de depotmedicatie effect sorteert en klager momenteel stabiel is. De bij de toepassing van het proportionaliteitsbeginsel noodzakelijke belangenafweging leidt er dan ook toe dat aan de positieve effecten van de medicatie meer gewicht moet worden toegekend dan aan de bezwaren die door klager worden ervaren. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling van de klacht voor de commissie duidelijk geworden is dat klager zich blijft verzetten tegen medicatie om de reden dat hij zich niet ziek acht. Verweerders rest dan ook geen andere optie dan gebruik te maken van de geboden mogelijkheid de (ambulante) zorg in een gedwongen kader te verlenen. Er zijn geen andere mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de slotsom dat de beslissing tot verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie op goede gronden berust en zorgvuldig is genomen met inachtneming van de beginselen van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht de commissie dit klachtonderdeel ongegrond.

De klachtencommissie dient het klachtonderdeel over de zorgmachtiging als zodanig volgens artikel 10:6 lid 2 Wvggz niet-ontvankelijk te verklaren.

 

  1. Beslissing

De Klachtencommissie van Parnassia Groep

  • verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond;

 

De beslissing is op DATUM gegeven door NAAM, voorzitter, NAAM, psychiater niet-praktiserend, NAAM, lid psycholoog en verpleegkundige, ondersteund door NAAM, ambtelijk secretaris, en ondertekend op DATUM.

 

NAAM

voorzitter

 

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen,

namens deze,

NAAM

ambtelijk secretaris

 

  1. Beroep

 

Op grond van art. 10:7 Wvggz kan betrokkene, de vertegenwoordiger, de zorgaanbieder of een nabestaande van betrokkene onder de in art. 10:7 Wvggz genoemde voorwaarden tegen de uitspraak van de Klachtencommissie in beroep bij de rechter.