Klacht over opname en toediening intramusculaire medicatie


Uitspraak

De klachtencommissie (hierna te noemen: de commissie) heeft kennis genomen van de klacht van de heer <naam klager>, (hierna te noemen: klager), verblijvende te <naam afdeling>, <woonplaats>. De klacht richt zich tegen het besluit verlenen verplichte zorg door middel van opname in een accommodatie en medicatie genomen door de heer <naam psychiater>, psychiater en <naam AIOS>, AIOS en behandelcoördinator van klager (hierna te noemen: verweerders).

Verloop procedure

–             Klachtenformulier van <naam klager>, ontvangen op 28 oktober 2022;

–             Verduidelijking klachtonderwerp van <naam patiëntenvertrouwenspersoon>, patiëntenvertrouwenspersoon, ontvangen op 31 oktober 2022;

–             Verweerschrift met bijlagen van <naam psychiater>, ontvangen op 9 november 2022;

–             Toelichting op de klacht van <naam patiëntenvertrouwenspersoon, ontvangen op

24 november 2022.

De commissie heeft met toestemming van klager inzage gehad in de stukken uit zijn medische dossier die relevant zijn voor de beoordeling van de klacht.

Bij de klacht is een verzoek tot schorsing ingediend. De commissie heeft geconcludeerd dat niet is gebleken van een zodanig onredelijk of onbillijk behandelbeleid en/of van een spoedeisend belang om op dat moment een verdere tenuitvoerlegging van een verplicht verblijf en/of van de medicatie te stoppen. De inname van orale medicatie volstaat, zodat op dat moment toediening per injectie niet aan de orde is en daarover (dus) geen schorsingsbesluit genomen hoeft te worden; partijen zijn hiervan per e-mail in kennis gesteld.

De hoorzitting heeft in hybride vorm plaatsgevonden op 29 november 2022, waarbij klager en verweerder in de gelegenheid zijn gesteld een mondelinge toelichting te geven. Klager werd hierbij ondersteund door <naam patiëntenvertrouwenspersoon>, patiëntvertrouwenspersoon (hierna te noemen: pvp). Daarnaast was <naam AIOS>, AIOS, aanwezig.

Ontvankelijkheid

De commissie oordeelt dat de klacht ontvankelijk is, op grond van art. 10.1 Wvggz jo. 10.3

sub f Wvggz en de klachtenregeling Wvggz van GGNet.

De klacht

De klacht richt zich tegen het besluit verlenen verplichte zorg door middel van opname in een accommodatie en medicatie.

Nadat de rechter op 11 oktober 2022 een zorgmachtiging had afgegeven, is klager opgenomen op de <naam afdeling> in <naam woonplaats>. Klager beschrijft dat hij nog maar net op de afdeling was en rustig in de tuin zat af te wachten, toen hem in een gesprek met verweerders werd gezegd dat zij behandeling met medicatie noodzakelijk vonden. Klager heeft daarop aangegeven dat hij geen medicatie wilde. Kort daarop kwam men met een overmacht aan mannen (deels in uniform) en werd klager tegen de grond gewerkt, in de houdgreep genomen en kreeg hij een injectie in zijn bil.

Klager is het niet eens met deze gang van zaken en doet daarover zijn beklag. Hij vindt het onterecht dat hij deze injectie heeft gehad.

Klager is in principe bereid om orale medicatie te gebruiken als uit onderzoek blijkt dat dit nodig is en hij neemt ook de medicatie die hem wordt aangeboden. Klager stelt dat er geen overleg met hem is geweest over de medicatie. Ook is er geen onderzoek naar zijn gezondheidstoestand gedaan. Er was op dat moment op 11 oktober 2022, geen sprake van een noodsituatie: klager was rustig en aanspreekbaar. Klager heeft geen beslissing op grond van de Wvggz ontvangen en hij weet ook niet wat voor soort medicatie hij heeft gekregen. Verder is klager niet gewezen op zijn klachtrecht en de ondersteuning door de pvp en ook zijn advocaat is niet geïnformeerd over deze beslissing.

Klager is op 11 oktober 2022 nadat de zorgmachtiging was afgegeven, direct opgenomen in een accommodatie, <naam accommodatie>. Ook hiervan heeft klager geen schriftelijke beslissing ontvangen. Daarnaast is ook de advocaat van klager niet geïnformeerd over de opname. Klager stelt dat er geen noodzaak is voor de opname. Klager wil ondersteuning in de thuissituatie accepteren als men dat nodig zou vinden. Ook is klager bereid mee te werken aan onderzoek naar zijn psychische toestand. Beide mogelijkheden zijn tot nu toe niet met klager besproken.

Inmiddels verblijft klager op <naam afdeling> in <naam woonplaats>. Daar wordt hij vriendelijk bejegend en mag hij zelf met het openbaar vervoer heen en weer naar zijn huis in <naam woonplaats> om de tuin bij te houden. De zorg die klager nu op de afdeling krijgt, ervaart hij als niet negatief, al is het zijn hartenwens om weer terug naar huis te kunnen. Het gaat op dit moment gelukkig erg goed met klager.

Schadevergoeding

Klager is niet op geld uit, maar vindt een genoegdoening in verband met de schade die hij heeft geleden als gevolg van de hardhandige behandeling tijdens/voorafgaand aan de injectie wel op zijn plaats. De knie en hand van klager zijn nog steeds niet genezen na de hardhandige bejegening op 11 oktober 2022 bij de toediening van de injectie. Klager verzoekt de commissie daarom om een billijke schadevergoeding toe te kennen.

Het verweer

In het verweer is, zakelijk en verkort weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Verweerders stellen dat er sprake is van een psychotische stoornis bij klager. Klager heeft geen ziektebesef of inzicht, en door de psychotische stoornis is er sprake van ernstig nadeel voor klager. Behandeling met medicatie en opname in een accommodatie zijn noodzakelijk om het ernstig nadeel voor klager af te wenden.

Aanleiding voor de opname op de <naam afdeling> was zorgwekkend zorg mijdend gedrag, wat leidde tot ernstig nadeel voor klager (ernstige gezondheidsschade of levensgevaar, ernstige verwaarlozing) en zijn omgeving (conflicten, verlies sociaalmaatschappelijke rollen). Klager leefde in een ernstig vervuilde omgeving en het kwam al eens tot een aanvaring met zijn buurman, waarbij klager gewond raakte.

Verweerders beschrijven de gebeurtenis van de toediening van de medicatie met een injectie als volgt. Klager is op 11 oktober 2022 opgenomen op de <naam afdeling>. Tijdens een eerste opname gesprek reageerde klager met stemverheffing en verbale en fysieke dreiging, toen door verweerders benoemd werd dat zij behandeling met medicatie noodzakelijk achten. Het gesprek werd vanwege klagers houding op dat moment beëindigd.

Kort daarna volgde er een vervolg gesprek met de coördinerend behandelaar en de afdelingspsychiater. Ook waren er twee verpleegkundigen aanwezig voor de veiligheid. Opnieuw reageerde klager dreigend en met verbale agressie toen de noodzaak van medicatie besproken werd. Verweerders hebben hem uitgelegd dat zij klager op grond van de zorgmachtiging hebben opgenomen en willen behandelen met medicatie. Klager gaf aan dat hij de medicatie niet zou nemen en liet weten dat men de politie maar vast moest bellen. Daarop is klager naar de binnentuin van de <naam afdeling> gegaan. Via groepsgenoten kwam het bericht dat klager mogelijk een steekwapen bij zich had. Hoewel er geen steekwapen werd gezien door de verpleegkundigen, wilde verweerders geen risico lopen en hebben zij om politieondersteuning gevraagd tijdens de toediening van de medicatie. Dit is een gangbare werkwijze binnen GGNet, wanneer de behandelaren inschatten dat er sprake van dreiging is. Risico’s zoals bijvoorbeeld een steekwapen, worden uitermate serieus genomen. Men heeft op dat moment klager niet naar gevraagd naar een wapen, omdat iemand daar ook makkelijk over kan liegen.

Ook met de aanwezigheid van de politie weigerde klager iedere vorm van medewerking. Klager benoemde dat hij suïcide zal plegen en kondigde aan te zullen gaan vechten. Toen klager door de politie werd aangesproken en bij de schouder werd gepakt, ontstond er een gevecht waarbij klager en de politie op de grond belandden. Er kon op tijd een deken onder hen gelegd worden. Ook is er een deken onder het hoofd van klager gelegd. Daarop is de medicatie intramusculair toegediend. Klager heeft bij de schermutseling zijn hand geschaafd, maar dit was niet dermate ernstig dat direct actie moest worden ondernomen.

Verweerders betwisten dat klager op de dag van de opname steeds rustig en aanspreekbaar was. Zijn houding en gedrag fluctueerde sterk. Klager kon heel vriendelijk zijn, maar als iets werd gezegd wat hem niet beviel, reageerde hij al snel met stemverheffing en sloeg met zijn hand op tafel. Er is op meerdere momenten sprake geweest van verbale en fysieke dreiging.

Verweerders twijfelen er niet aan dat er bij klager sprake is van een psychotisch toestandsbeeld. Vanaf juli 2022 is gepoogd om in contact te komen met klager; dit leidde uiteindelijk tot een zorgmachtiging in oktober 2022. Op 11 oktober 2022 konden verweerder en klager het niet eens worden over de medicatie. De psychische gezondheidstoestand van klager is die dag zelf onderzocht. Vanwege de toestand op dat moment leek het niet veilig om het lichamelijke onderzoek direct te doen en is dit de dag na opname verricht. Het lichamelijke onderzoek leidde ook tot verwijzing naar de uroloog in het ziekenhuis.

Er is klager uitgelegd waarom medicatie noodzakelijk is en klager is de keuze geboden om de medicatie oraal in te nemen. In de twee opnamegesprekken en ook voorafgaand aan de toediening van de medicatie is gepoogd om hierover in overleg te gaan met klager. Hierbij is ook medegedeeld welke medicatie klager zou krijgen.

Verweerders zijn gestart met het verlenen van verplichte zorg om het ernstig nadeel snel en doelmatig te kunnen behandelen. Een psychotisch toestandsbeeld moet worden behandeld met antipsychotica en klager en verweerders konden het hier niet over eens worden. Daarnaast was het doel om de opname zo kort mogelijk te laten zijn. Na het toepassen van de verplichte zorg is op 14 oktober 2022 de art. 8.9-brief aan klager uitgereikt.

Op dit moment is klager nog altijd opgenomen, dit zegt volgens verweerders ook iets over de ernst van de situatie van klager. Op basis hiervan stellen verweerders dat het behandelen met medicatie door injectie en de opname op 11 oktober 2022 doelmatig, proportioneel en subsidiair was.

Schadevergoeding

Verweerders stellen dat er geen grond is voor schadevergoeding, aangezien het handelen op

11 oktober 2022 voldeed aan de vereisten die de wet stelt aan het verlenen van verplichte zorg. Bij zowel de opname als de toediening van medicatie hebben verweerders de vereisten van doelmatigheid, proportionaliteit en subsidiariteit in acht genomen. Klager verzet zich op dit moment ook niet tegen de opname en ook niet tegen de medicatie. Ook geeft klager zelf aan niet op geld uit te zijn.

Overwegingen en conclusies

De commissie komt, gelet op de stukken en het besprokene tijdens de hoorzitting, tot de volgende overwegingen en conclusies.

De commissie overweegt dat er door de rechter op 11 oktober 2022 met betrekking tot klager een zorgmachtiging is afgegeven voor de duur van een half jaar, vanwege een psychiatrische stoornis (psychotische stoornis) en daar uit voortkomend risico op ernstig nadeel (ernstig lichamelijk letsel, psychische schade voor anderen). Op basis hiervan is behandeling van de psychische stoornis mogelijk, ook als klager daar niet vrijwillig aan mee wil werken en/of niet mee instemt.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat klager lijdt aan een psychische stoornis. Hoewel klager de stoornis en/of het psychotische toestandsbeeld ontkent (klager geeft aan alleen lichamelijk ziek te zijn geweest), heeft de commissie geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. Klager heeft geen ziektebesef en ziekte inzicht en geeft aan dat hulp of behandeling niet nodig is.

De commissie is van oordeel dat verweerders in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder een (gedwongen) opname én toediening van antipsychotische medicatie kon en kan worden afgewend. Verweerders hebben hierin volgens de bij deze diagnose behorende richtlijnen en de behandelstandaard gehandeld, passend bij het actuele ziektebeeld.

De commissie constateert op basis van hetgeen in de rapportages wordt vermeld en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen, dat verweerders wel degelijk met klager in gesprek zijn gegaan over de medicatie, de uitkomst van die gesprekken is echter niet geweest zoals klager hoopte of wenste.

De commissie is verder van oordeel dat klager niet heeft aangetoond dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld ten aanzien van het besluit om de medicatie onder politiebegeleiding door middel van een injectie toe te dienen.

De commissie overweegt dat verweerders, gezien de boze houding van klager en de uitlatingen die klager deed als de medicatie ter sprake kwam, de situatie wel degelijk als noodsituatie hebben kunnen en mogen inschatten. Daarnaast ziet de commissie ook dat er tijdens de worsteling met zorg voor klager is gehandeld toen er een deken onder hem is gelegd zodat hij zich niet (ernstig) zou bezeren. Op basis hiervan is de commissie van oordeel dat verweerders en de behandelaren professioneel en met zorg voor klager hebben gehandeld. De commissie ziet geen aanwijzingen dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld.

Inmiddels lijkt de houding van klager in dat opzicht ook te zijn veranderd, sinds klager op de afdeling Ouderen verblijft. Klager accepteert de medicatie en vindt het prettig op de afdeling. Ook kan hij in goed overleg met zijn huidige behandelaren naar zijn huis om de tuin te verzorgen.

De commissie overweegt verder dat zonder adequate medicatie er voor klager een aanzienlijk risico op ernstig nadeel in de zin van art. 1:1 lid 2 en art. 8:9 lid 4 sub b Wvggz zal blijven bestaan.

De commissie acht het besluit tot verplichte zorg met medicatie inhoudelijk juist en ook proportioneel, subsidiair en doelmatig.

De beslissing tot het verplicht toedienen van medicatie is op 11 oktober 2022 genomen. Deze beslissing is diezelfde dag aan klager meegedeeld. Klager heeft op 14 oktober 2022 de in art. 8:9 lid 3 Wvggz bedoelde schriftelijke kennisgeving ontvangen. Gezien de omstandigheden van het geval, is deze beslissing naar oordeel van de commissie voldoende spoedig aan klager overhandigd.

Het geheel overziend is de commissie van oordeel dat de beslissing tot opname en de behandeling met medicatie door middel van een injectie voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en dat de klachten ongegrond moeten worden verklaard.

Schadevergoeding

Er is naar oordeel van de commissie geen sprake van een grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

Oordeel

De commissie acht op grond van bovenstaande overwegingen de klachten ongegrond.

Op 29 november 2022 vastgesteld door de commissie:

Dhr. mr. J. Blok, voorzitter;

Dhr. G.V.J. Thomas, psychiater;

Mw. L. Vermaas, algemeen lid op voordracht van de Cliëntenraad.

Namens de commissie:

 

 

i.o.

Mw. M.T. Averesch-Wilbrink

ambtelijk secretaris

 

Verzonden d.d. 6 december 2022

 

 

 

Tegen een uitspraak van de klachtencommissie kan op grond van art. 10:7 Wvggz beroep worden ingesteld bij de Rechtbank binnen zes weken na kennisneming van de uitspraak.