Klacht over opname en medicatie: ongegrond


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken 

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., gedateerd 12 oktober 2023, bij de klachtencommissie binnengekomen op 12 oktober 2023, nummer 2310-133

Datum: 30 oktober 2023

Inleiding

De klachtencommissie is op 30 oktober 2023 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A., gedateerd 12 oktober 2023, bij de klachtencommissie binnengekomen op 12 oktober 2023, tegen zorgaanbieder B..

De heer A. heeft geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot bemiddeling door de Klachtencommissie. 

Aanwezig

Klager: de heer A.;
Bijgestaan door: mevrouw C., patiëntenvertrouwenspersoon.

Zorgaanbieder: de heer D., psychiater;
mevrouw E., semi-arts;  

Klachtencommissie: mevrouw X, voorzitter, jurist;
mevrouw X, lid, voorgedragen door de Cliëntenraad; 

Ambtelijk secretaris: de heer X.

De psychiater van de klachtencommissie, mevrouw X, kon door omstandigheden niet ter zitting aanwezig zijn. Met instemming van partijen heeft de klachtencommissie de behandeling van de klacht voortgezet. De psychiater is wel betrokken geweest bij de beraadslaging en oordeelsvorming.  

De heer X (nieuwe voorzitter klachtencommissie) was als toehoorder in de zitting aanwezig. 

Stukken

De klachtencommissie, hierna te noemen de commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. het klaagschrift;
  2. het verweerschrift;
  3. een afschrift van de beschikking van de Rechtbank F. van 21 juni 2023; 
  4. een afschrift van de beslissing tot verplichte zorg van 6 oktober 2023; 
  5. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van de heer A.. 

De heer A. heeft de commissie toestemming verleend voor inzage in zijn medisch dossier indien en voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de klacht.

Samenvatting

De heer A. heeft klachten ingediend tegen een behandeling met medicatie en opneming in een accommodatie. De commissie komt tot het oordeel dat de klachten ongegrond zijn omdat niet vast is komen te staan dat de klacht betrekking heeft op de huidige opname bij de zorgaanbieder en dat sprake is geweest van verzet in de zin van art. 1:4 lid 3 Wvggz. Nu de klachten ongegrond zijn verklaard is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 

De feiten en omstandigheden

Aan de heer A. wordt door de zorgaanbieder B., locatie G. (hierna: de zorgaanbieder) verplichte zorg verleend krachtens een door de rechtbank F. verleende zorgmachtiging van 30 juni 2023, geldend tot en met 30 juni 2024. In deze zorgmachtiging is het toedienen van medicatie en opneming in een accommodatie opgenomen als vormen van verplichte zorg. 

Op 30 juni 2023 heeft de zorgverantwoordelijke, de heer H., verbonden aan B., locatie J.. te F., ten aanzien van de heer A. een beslissing genomen tot het verlenen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 8:9 Wvggz, inhoudende dat aan hem per die datum de volgende vormen van verplichte zorg worden verleend: 

  • beperken van de bewegingsvrijheid
  • opnemen in een accommodatie. 

Deze beslissing is onder opgave van de daartoe strekkende redenen vastgelegd in de brief van 30 juni 2023. 

Op 11 september 2023 heeft de geneesheer-directeur, mevrouw K.., op de voet van art. 8:16 lid 1 Wvggz besloten de zorg toe te wijzen aan een andere zorgverantwoordelijke, de heer D., verbonden aan de zorgaanbieder.  

De klacht en het standpunt van klager 

De heer A. is het er niet mee eens dat hij verplichte medicatie krijgt. Hij is onschuldig en heeft het recht om zijn eigen mening te uiten. Hij kan heel goed zonder medicatie leven omdat hij niet ziek is. Ook de opname is onterecht. Hem is niet uitgelegd waarom deze opname noodzakelijk is. Bovendien wordt er niet naar hem geluisterd. 

Schadevergoeding 

De heer A. vraagt de commissie hem een schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder toe te kennen voor het ten onrechte verlenen van verplichte zorg.  Bij een gegrondverklaring van zijn klacht zal hij dit met een nieuw document onderbouwen. 

Het standpunt van verweerder

De zorgaanbieder heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de heer A. is gediagnosticeerd met schizofrenie waarvoor hij meermaals in een klinische setting is behandeld. Sinds 2012 is de heer A. in zorg bij FACT L.. De heer A. is recent opgenomen geweest op de PAAZ van M. in verband met een hernia epigastrica. De opname vond plaats in het kader van de toen geldige zorgmachtiging. Gelet op het psychotische toestandsbeeld werd de heer A. vervolgens opgenomen bij B., locatie J., waarna de behandeling op 12 september 2023 werd voortgezet bij de zorgaanbieder. Tijdens deze opname werd een verslechtering van het toestandsbeeld gezien hetgeen mogelijk verband hield met het switchen van medicatie. In samenspraak met het FACT werd daarom besloten de clozapine af te bouwen. In de ambulante setting zou de heer A. dan mogelijk op andere medicatie ingesteld kunnen worden. De behandeling met medicatie vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Er is dus geen sprake geweest van verplichte zorg. Het ontslag van de heer A. staat gepland op 31 oktober 2023. 

Overwegingen en oordeel

De klacht(en) 

De klacht van de heer A. richt zich tegen de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg, meer in het bijzonder tegen de toediening van medicatie en opneming in een accommodatie. Deze klachten worden – kort gezegd  – gebaseerd op de stelling dat de heer A. heel goed zonder medicatie kan omdat hij niet ziek is. 

De beoordeling van de klacht(en)

De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een zorgmachtiging op grond van artikel 8:9 Wvggz beslissen tot het verlenen van verschillende vormen van verplichte zorg wanneer sprake is van een ernstig nadeel dat wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis. 

De commissie stelt vast, mede gelet op de beschikking van 30 juni 2023, dat bij de heer A. sprake is van een psychische stoornis, in de vorm van schizofrenie. 

De commissie stelt verder vast dat de psychische stoornis van de heer A. leidt tot ernstig nadeel, zoals in voornoemde beschikking is overwogen en waarnaar hiervoor wordt verwezen. 

Met betrekking tot de klacht tegen het toedienen van medicatie stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat deze vorm van zorg verleend is op basis van vrijwilligheid en dat de heer A. geen verzet heeft getoond. 

De commissie ziet zich daarom gesteld voor de vraag of in het onderhavige geval sprake is geweest van verzet. Was er geen sprake van verzet, dan is er ook geen sprake van verplichte zorg. 

Behandeling kan in beginsel slechts met instemming van de betrokkene worden verleend. Als aan de criteria van verplichte zorg wordt voldaan, kan daarvan worden afgeweken. Verplichte zorg impliceert dat sprake is van verzet als bedoeld in artikel 1:4 Wvggz. 

Het feit dat de heer A. een klacht heeft ingediend tegen de toediening van medicatie betekent niet zonder meer dat er aldus sprake is geweest van verzet. Op grond van de stukken en de reactie van de heer A. op gerichte vragen van de commissie, zijn er volgens de commissie onvoldoende concrete aanknopingspunten waaruit zou moeten blijken dat de heer A. zich verbaal en/of fysiek tegen de behandeling heeft verzet. De enigszins ambivalente houding van de heer A. tegenover de behandeling met medicatie is onvoldoende om te oordelen dat sprake was van verzet in de zin van de Wvggz. De zorgverantwoordelijke mocht er gezien de reacties en wilsuitingen van de heer A. van uitgaan, dat de behandeling met medicatie nog plaatsvond en kon plaatsvinden op vrijwillige basis.

Nu geen sprake is geweest van verzet, zal de commissie de klacht op dit onderdeel ongegrond verklaren.   

Voor wat betreft de klacht tegen de opname overweegt de commissie als volgt. 

Ter zitting heeft de heer A. uiteengezet hoe hij de eerdere opnames bij – onder meer – M. en J. ervaren heeft. Het is voor de commissie zonder meer duidelijk dat deze opnames de heer A. niet onberoerd hebben gelaten. De behandelaars die destijds hebben besloten tot die opnames zijn door de heer A. in zijn klaagschrift van 12 oktober 2023 evenwel niet aangemerkt als verweerder zodat zij door de commissie dan ook niet in de gelegenheid zijn gesteld om verweer te voeren. Hoe de feitelijke gang van zaken precies geweest is kan de commissie daarom niet vaststellen, laat staan dat de commissie zich kan uitspreken over de rechtmatigheid ervan. Wel is het voor de commissie duidelijk geworden dat de onderhavige klacht niet is gericht tegen de huidige opname bij de zorgaanbieder. Om die reden zal de commissie de klacht tegen de opname ongegrond verklaren. 

Een en ander leidt ertoe dat de klachten van de heer A. ongegrond zullen worden verklaard. Het verzoek om schadevergoeding zal in het verlengde hiervan worden afgewezen. 

De beslissing

De commissie: 

  • verklaart de klachten ongegrond
  • wijst het verzoek tot schadevergoeding af

Deze beslissing is op 31 oktober 2023 mondeling medegedeeld aan partijen.
De schriftelijke beslissing is op 9 november 2023 aan betrokkenen verzonden.