Klacht over diverse vormen van verplichte zorg


Uitspraak

230713-27

Beslissing van de Klachtencommissie Patiënten Parnassia Groep

op de klacht van:

NAAM,

Geboren op DATUM,

Thans verblijvende in INSTELLING,

Bijgestaan door NAAM, patiëntenvertrouwenspersoon (pvp).

K l a g e r

-tegen –

NAAM, psychiater,

verbonden aan INSTELLING.

V e r w e e r d e r

 

1. De procedure

Bij brief van DATUM en binnengekomen op DATUM heeft klager met bijstand van de

patiëntenvertrouwenspersoon een klacht ingediend bij de Klachtencommissie Patiënten Parnassia

Groep (de commissie). Het betreft een procedure op basis van artikel 10:3 van de Wet verplichte

geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Voorts heeft klager op grond van artikel 10:11 Wvggz verzocht

om schadevergoeding.

Klager heeft de commissie toestemming verleend om mede op basis van relevante stukken uit het

dossier uitspraak te doen.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het klaagschrift van DATUM;

– het verweerschrift van DATUM;

– de relevante stukken uit het dossier.

 

Klager heeft op grond van artikel 10:5 Wvggz om schorsing van de verplichte zorg verzocht, hetgeen

op DATUM door de commissie is afgewezen en onverwijld zowel mondeling als schriftelijk aan

klager is medegedeeld.

 

De behandeling van de klacht heeft op DATUM plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn de

volgende personen gehoord: klager, bijgestaan door de patiëntenvertrouwenspersoon, en namens

verweerder mevrouw NAAM (psychiater) en mevrouw NAAM (arts assistent

psychiatrie). Als toehoorders waren twee co assistenten aanwezig.

 

2. De feiten

De commissie gaat bij de beoordeling van de klacht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De burgemeester van PLAATS heeft op DATUM ten aanzien van klager een crisismaatregel

genomen, geldend tot en met DATUM.

Uit de medische verklaring die ten grondslag ligt aan de crisismaatregel blijkt dat bij klager sprake is

van een psychotische stoornis vermoedelijk uitgelokt door slaapdeprivatie, overmatig drugs- en

alcoholgebruik waarbij extreme stressoren een belangrijke rol spelen. Het ernstig nadeel bestaat uit

levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstig psychisch letsel, acute maatschappelijke teloorgang,

bedreiging van de veiligheid van klager al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt en

de algemene veiligheid van personen en goederen is in gevaar.

Klager is op DATUM opgenomen in INSTELLING.

Op DATUM heeft de zorgverantwoordelijke besloten de volgende vormen van verplichte zorg toe

te passen:

– Beperken van de bewegingsvrijheid;

– Aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben

dat klager iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

– Opnemen in een accommodatie.

Bij mondelinge uitspraak is op DATUM een verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel

toegewezen voor de periode van drie weken en voorziet in de volgende vormen van verplichte zorg:

– Toedienen van medicatie en het verrichten van medische controles;

– Beperken van de bewegingsvrijheid;

– Insluiten;

– Uitoefenen van toezicht op betrokkene;

– Controleren op de aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen;

– Aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben

dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

– Opname in een accommodatie.

De zorgverantwoordelijke nam op DATUM een nieuwe beslissing verplichte zorg met daarin

opgenomen verplichte zorg in de vorm van het beperken van de bewegingsvrijheid, aanbrengen van

beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet

doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en de opname in de

accommodatie.

 

Op DATUM wordt aan klager middels een 8:9 Wvggz-brief medegedeeld dat de reeds gestarte

zorg wordt uitgebreid met insluiten.

Op DATUM is klager wegens verbaal en fysiek agressief gedrag jegens de verpleegkundigen

gesepareerd en verblijft daar thans ’s nachts nog.

Op DATUM heeft de zorgverantwoordelijke een nieuwe beslissing verplichte zorg genomen

inhoudende uitbreiding van de reeds gestarte zorg met controle op de aanwezigheid van gedrag

beïnvloedende middelen.

Op DATUM is na bezoek van een familielid klagers kamer doorzocht op de aanwezigheid van

cannabis.

 

3. De klacht en het standpunt van klager

De klacht van klager is gericht tegen de uitvoeringsbeslissing van DATUM en ziet op de volgende

klachtonderdelen;

  1. Toediening van medicatie;
  2. Beperking van de bewegingsvrijheid;
  3. Insluiting in de separeer;
  4. Controle op gedrag beïnvloedende middelen;
  5. Aanbrengen beperken vrijheid (…) inname communicatiemiddelen;
  6. Opnemen in een accommodatie.

Ter onderbouwing voert klager aan dat onbegrijpelijk is waarom zijn bewegingsvrijheid beperkt wordt

aangezien hij aanvankelijk wel met zijn familie naar buiten mocht en dat heel goed ging. Daarnaast

geeft klager aan graag alleen naar buiten te willen en bereid te zijn zich dan aan de afspraken te

houden. Sinds de opname verblijft klager in de separeer, omdat klager volgens de dokter geladen

rond zou lopen op de afdeling en niet te corrigeren zou zijn. Volgens klager zijn er geen incidenten

geweest die deze zware maatregel rechtvaardigen. Klager begrijpt dat zijn telefoon en laptop zijn

afgenomen ter voorkoming dat hij zijn eigen zaak schade toebrengt, maar dat is echt de omgekeerde

wereld, omdat nu hij geen dingen voor zijn zaak kan regelen, er juist schade ontstaat. Desondanks is

klager bereid nu geen dingen voor zijn zaak te regelen, als hij zijn telefoon nu terugkrijg. Hij zou zijn

telefoon alleen gebruiken voor zaken waar hij dan toestemming voor krijgt, zoals het bellen van

familie. Medicatie is volgens klager niet nodig, want er is geen sprake van een psychische ziekte en

bovendien heeft hij last van de medicatie, o.a. eczeem en de last van zijn rug verergert ervan. De

enige medicatie die klager wel wil nemen is Lorazepam. Ten aanzien van de opname stelt klager dat

ook de reden van opname voor hem onduidelijk is, nu het thuis goed ging en deze opname zonde is

van zijn tijd en geld.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerders hebben het standpunt ingenomen dat aan de wettelijke criteria voor het verlenen van

verplichte zorg is voldaan, dat de klacht op alle onderdelen ongegrond dient te worden verklaard en

het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen. Dit standpunt wordt als volgt

toegelicht.

1) Het beperken van de vrijheden van klager wordt noodzakelijk geacht, omdat hij in een gesloten en

beschermde omgeving zoals de opname-afdeling al agressief gedrag naar zichzelf en anderen

vertoont. Dit gevaar zal buiten de gesloten afdeling nog duidelijker aanwezig zijn.

2) Het insluiten in de separeerruimte is noodzakelijk geacht bij agressie op de afdeling en

afdelingsontwrichtend gedrag, waaronder het verstoren van de nachtrust. De wens om het verblijf in

de separeerruimte zo kort mogelijk te houden is een die gedeeld wordt. Daarom wordt iedere dag

opnieuw geëvalueerd of dit strikt noodzakelijk is en wordt gepoogd om klager zo lang mogelijk op de

afdeling te laten verblijven. Tot nu toe is patiënt echter te ontremd om zich aan de gemaakte

afspraken te houden. Op DATUM is nog gepoogd tot overnachting op de afdeling, echter na een

uur was patiënt dusdanig onrustig dat verblijf in de separeerruimte toch nodig bleek.

3) Na bezoek van een vrouw, waarover klagers familie berichtte dat klager daarmee voor zijn opname

cannabis rookte en die hij onjuist bij het behandelteam introduceerde, waren er sterke aanwijzingen

dat klager cannabis had gekregen op de afdeling. Op DATUM, werd er daarom eenmalig op de

kamer van klager naar cannabis gezocht, maar er werd niets gevonden. Na dit incident werd er geen

reden gezien om verdere drugscontroles uit te voeren.

4) De beperking van het gebruik van communicatiemiddelen wordt noodzakelijk geacht om teloorgang

te vermijden. Momenteel is de afspraak dat klager driemaal per dienst gebruik mag maken van de

afdelingstelefoon. Uit ervaring blijkt dat deze momenten al binnen het eerste halfuur van de dienst zijn

benut. Vanwege het ontbreken van ziektebesef en problemen met oordeelsvorming en kritiek, wordt

op de afdeling gezien dat klager geen goede inschatting kan maken van zijn gedrag. Door beperking

van het gebruik van communicatiemiddelen wordt beoogd te voorkomen dat klager door chaotisch

gedrag zijn bedrijf en financiële situatie schade toebrengt.

5) Gezien het aanzienlijke gevaar dat in de thuissituatie ontstond als gevolg van de psychotische

stoornis, wordt opname op een gesloten afdeling noodzakelijk geacht. De psychotische stoornis is nog

steeds duidelijk aanwezig en wordt niet als zodanig in remissie beschouwd dat dit gevaar volledig is

geweken. Daarnaast geeft klager aan schade te ondervinden op het gebied van inkomsten en

personeel binnen zijn bedrijf. Echter, vanuit de stoornis belde de patiënt zijn personeel op om

complottheorieën te delen, en dit zorgde voor veel onduidelijkheid en onvrede bij de medewerkers

vanwege de chaotische communicatie over werkopdrachten. Als deze situatie langer had

voortgeduurd, zou de schade waarschijnlijk groter zijn geweest.

6) Klager heeft bij behandelaars geen verzet getoond tegen het gebruik van medicatie. Medicatie is

derhalve niet in het kader van de crisismaatregel verstrekt. Op DATUM is met klager gesproken

over het schriftelijke bezwaar tegen het gebruik van medicatie. In dit gesprek is door klager

aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het gebruik van medicatie. Het gebruik van medicatie,

momenteel lorazepam, promethazine, haloperidol en lithium, wordt noodzakelijk geacht om de

manische en psychotische klachten van klager te behandelen. Onder haloperidol zijn de paranoïde

psychotische klachten verbleekt. Voor de hierna ontstane manische ontregeling wordt klager

momenteel ingesteld op lithium. Lorazepam en promethazine worden gegeven voor herstel van de

nachtrust, voorkoming van uitputting, en verkleinen van het risico op agressie naar medepatiënten en

verpleegkundigen.

Ten aanzien van de verplichte zorg stelt verweerder dat de verplichte zorg rechtmatig is toegepast

conform de Wvggz en meent dan ook dat er geen grond is voor toekenning van een vergoeding voor

(immateriële of materiële) schade.

 

5. De beoordeling

Uit het systeem van de Wvggz, in het bijzonder uit artikel 3:3 Wvggz, artikel 3:4 Wvggz volgt dat de

zorgverantwoordelijke een beslissing als bedoeld in artikel 8:9 Wvggz kan nemen indien het gedrag

van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel indien:

– er geen mogelijkheden zijn voor zorg op basis van vrijwilligheid;

– er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn;

– het verlenen van verplichte zorg, gelet op het doel van verplichte zorg evenredig is, en

– redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is.

Met een voldoende mate van zekerheid kan door de commissie worden vastgesteld dat klager lijdt aan

een psychische stoornis, mogelijk in het kader van een schizofrene ontwikkeling. De gestelde

diagnose is aannemelijk en door verweerder voldoende onderbouwd.

Voorts is gebleken dat het gedrag van klager als gevolg van zijn stoornis, leidt tot ernstig nadeel zoals

omschreven in de aangevochten beslissing van DATUM en nader toegelicht in het verweerschrift.

Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van klager te stabiliseren of te

herstellen, heeft klager zorg nodig.

  1. Opname:

De commissie is van oordeel dat voldoende is aangetoond dat de opname in een accommodatie

onvermijdelijk was. De sterke overtuiging bij klager dat geen sprake is van een psychische stoornis

leidt ertoe dat hij niet openstaat voor behandeling. De commissie neemt in dat verband in overweging

hetgeen daaraan thuis vooraf ging. Klager toonde, onder invloed van akoestische hallucinaties,

dusdanig gevaarlijk gedrag zowel voor zichzelf als voor een ander, dat niet anders besloten kon

worden dan klager middels een crisismaatregel op te nemen in een accommodatie. Zo heeft klager

zijn moeder bij haar keel gegrepen, is hij voor een auto gesprongen en heeft hij op een brug gestaan

met de intentie er vanaf te springen. Tevens was er sprake van paranoïde ideeën en de angst

achtervolgd te worden. Vanuit deze angst deelde patiënt continu zijn live locatie met verschillende

personen en werden alle contacten in de telefoon van zijn moeder bericht. Daarbij sliep patiënt niet en

dronk hij vooral nog alcohol waarbij gevaar voor uitputting dreigde. Gelet hierop is de commissie van

oordeel dat de zorgverantwoordelijke op DATUM heeft kunnen besluiten tot opneming van klager

in een accommodatie. Van alternatieven voor de gedwongen opneming is niet gebleken. De

commissie verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

 

  1. Medicatie:

Met betrekking tot de beslissing tot het toedienen van medicatie hebben verweerders naar het oordeel

van de commissie voldoende overtuigend uiteengezet dat een behandeling met lorazepam,

promethazine, haloperidol en Lithium voor situaties als die waarin klager verkeert de aangewezen

behandeling is. Daarnaast is voldoende aannemelijk gemaakt dat bij het nemen van de beslissing tot

dwangmedicatie de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid in acht zijn

genomen, in die zin dat er thans geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde beoogde

effect hebben en de behandeling evenredig en naar verwachting effectief is. Tot zover verklaart de

commissie de klacht ongegrond.

Voor zover verweerder de commissie ervan heeft getracht te overtuigen dat het innemen van de

medicatie op vrijwillige basis geschiedt merkt de commissie op, dat wel degelijk sprake is van een

gedwongen karakter nu ter zitting is gebleken dat, naar klagers eigen verklaring, hij de medicatie

inneemt uit vrees voor een injectie. De commissie leidt onvrijwilligheid ook uit de rapportages waarin

staat genoteerd, dat enkele tabletten haloperidol in klagers zak zijn aangetroffen. Dit leidt tot de

conclusie dat verweerder ingevolge artikel 8:9 lid 2 Wvggz een beslissing over de medicatie had

moeten nemen. Op grond van dit formele aspect verklaart de commissie dit klachtonderdeel gegrond.

 

  1. Beperken bewegingsvrijheid:

Klager stelt zich in zijn klachtbrief op het standpunt dat hij ten onrechte beperkingen opgelegd heeft

gekregen. De commissie gaat hierin niet mee. Uit de stukken, waaronder de uitvoeringsbeslissing van

DATUM, blijkt dat de beperking in het recht op bewegingsvrijheid noodzakelijk was, omdat klager

op de afdeling al agressief gedrag naar zichzelf en anderen vertoont. De vrees bestond dat klager dit

gedrag buiten de afdeling nog meer aan de dag zou leggen.

Desgevraagd hebben verweerders ter zitting gesteld, dat dagelijks wordt geëvalueerd of en zo ja in

hoeverre de mate van de bewegingsvrijheid kan worden uitgebreid. Zodra klager goed is ingesteld op

medicatie zal in samenwerking met maatschappelijk werk toegewerkt gaan worden naar ontslag. De

commissie verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

  1. Controle op gedrag beïnvloedende middelen

Op grond van artikel 3:2 lid 2 sub f Wvggz kan de woon-of verblijfsruimte van betrokkene worden

gecontroleerd op de aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen indien voldaan is aan de

beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Op grond van de stukken en hetgeen hierover ter zitting door verweerders is verklaard bestond tijdens

het nemen van de bestreden beslissing de verdenking van aanwezigheid van cannabis of hash in

klagers kamer. Voorafgaand aan de controle kreeg klager bezoek van iemand die hij bij de

verpleegkundige verkeerd heeft geïntroduceerd en deze persoon heeft tassen gewisseld met klager.

Nadien is gebleken, door informatievertrekking van familie, dat klager voor de opname met deze

persoon cannabis gebruikte. De commissie is van oordeel dat verweerders’ verdenking op grond van

deze aanwijzingen terecht was en aldus kon overgaan tot het controleren van klagers kamer. Tot

zover acht de commissie dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Ter zitting heeft de pvp, naar het oordeel van de commissie terecht, aangevoerd dat in de beslissing

verplichte zorg van DATUM per abuis staat vermeld dat de vorm verplichte zorg ‘controleren op

de aanwezigheid van gedrag beïnvloedende middelen’ (artikel 3:2 lid 2 sub g Wvggz) zou worden

toegepast. Uit de jurisprudentie volgt dat dit betreft urinecontroles en ademtests. De

zorgverantwoordelijke had als vorm van verplichte zorg ‘onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op

gedrag beïnvloedende middelen’ (artikel 3:2 lid 2 sub f Wvggz) dienen te beslissen. Wat dit formele

aspect van de klachtonderdeel betreft verklaart de commissie dit onderdeel gegrond.

 

  1. e. Aanbrenging van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben

dat klager iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen:

Uit de reactie van verweerder op het klaagschrift en de motivering van de uitvoeringsbeslissing van DATUM blijkt dat de redenen voor het aanbrengen van beperkingen met name waren gelegen in

voorkoming van maatschappelijke teloorgang en dientengevolge financiële en immateriële schade

door het verzenden van berichten die niet in klagers belang zijn. Voorts bestond er gelet op het feit dat

klager duidelijke tekenen van ontregeling vertoonde (boosheid bij inname van de telefoon) gegronde

vrees voor verdere ontregeling. Terecht heeft verweerder daarom besloten tot het innemen van zijn

mobiele telefoon en naderhand ook zijn laptop. De commissie weegt mee het ontbreken van

ziektebesef en de psychotische stoornis welke nog niet in remissie wordt beschouwd. De klacht tegen

de inname van beide communicatiemiddelen zal daarom ongegrond worden verklaard.

  1. De insluiting

De klacht richt zich tegen het insluiten van klager zonder dat daartoe een noodzaak bestond.

Met de behandelaars is de commissie van oordeel dat er sprake was van stoornis gerelateerd ernstig

nadeel. In de overgelegde rapportages staat vermeld dat klager voorafgaand aan de insluiting verbaal

en agressief gedrag naar een verpleegkundige vertoonde toen hij zijn telefoon moest inleveren. Om

verdere escalatie te voorkomen is klager toen ingesloten. Het is de commissie niet gebleken dat het

ernstig nadeel op dat moment met andere, minder ingrijpende maatregelen afgewend kon worden.

Voor zover de klacht is ingegeven door ongenoegen over de duur van de insluiting, oordeelt de

commissie dat voor de bewering dat de insluiting eerder opgeheven had kunnen worden onvoldoende

steun in de feiten te vinden is. Alles bijeengenomen is de commissie van oordeel dat de separatie niet

onrechtmatig is en verklaart dit onderdeel ongegrond.

 

Schadevergoeding

Nu enkele klachtonderdelen deels gegrond zijn verklaard heeft de commissie te oordelen over het

verzoek om schadevergoeding. De commissie acht het verzoek onvoldoende onderbouwd nu

onvoldoende is aangetoond dat door de toepassing van verplichte zorg klager schade heeft geleden

dan wel lijdt. De commissie wijst het verzoek om schadevergoeding derhalve af.

 

6. Beslissing

 

De Klachtencommissie Patiënten Parnassia Groep:

– Verklaart de klachtonderdelen a, c, e en f ongegrond;

– Verklaart de klachtonderdelen b en d deels gegrond en deels ongegrond;

– Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

 

Deze beslissing is op DATUM gegeven door mr. NAAM, voorzitter, drs. NAAM,

psychiater niet-praktiserend, drs. NAAM, lid, bijgestaan door mr. NAAM, ambtelijk

secretaris en schriftelijk vastgelegd op DATUM.

 

  1. NAAM

Voorzitter

De voorzitter is verhinderd te ondertekenen,

Namens deze,

  1. NAAM

Ambtelijk secretaris Klachtencommissie Patiënten

7. Verzoekschrift aan de rechter

 

De betrokkene, de vertegenwoordiger, de zorgaanbieder of een nabestaande van betrokkene kan op

grond van artikel 10:7 Wvggz een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter

verkrijging van een beslissing over de klacht.

De termijn voor het indienen van een verzoekschrift bedraagt zes weken na de dag waarop de

beslissing van de klachtencommissie aan de verzoeker is meegedeeld, dan wel zes weken na de dag

waarop de klachtencommissie uiterlijk een beslissing had moeten nemen.