Klacht over depotmedicatie


Uitspraak

De klachtencommissie (hierna te noemen de commissie) heeft kennis genomen van de klacht van <naam klager>, (hierna te noemen klager), verblijvende op de <naam afdeling> te <naam woonplaats>. De klacht richt zich tegen het besluit tot het verlenen verplichte zorg door middel van depotmedicatie, genomen door <naam psychiater>, psychiater en <naam ANIOS>, ANIOS (hierna te noemen verweerders).

Verloop procedure

–              Klaagschrift van <naam klager>, ontvangen op 23 juni 2023;

–              Verweerschrift van <namen verweerders>, ontvangen op 30 juni 2023;

–              Dossierstukken, ontvangen op 28 juni 2023.

De commissie heeft met toestemming van klager inzage gehad in de stukken uit zijn medische dossier die relevant zijn voor de beoordeling van de klacht.

Bij de klacht is een verzoek tot schorsing ingediend. <naam psychiater> is op 26 juni 2023 akkoord gegaan met schorsing van de depotmedicatie. Partijen zijn per brief en per e-mail hiervan in kennis gesteld.

De hoorzitting heeft in hybride vorm plaatsgevonden op 6 juli 2023, waarbij klager en verweerders in de gelegenheid zijn gesteld een mondelinge toelichting te geven. Klager is, ondanks tijdige uitnodiging, zonder afmelding niet verschenen. Wel was er tijdens de hoorzitting kort telefonisch contact toen klager zijn zus belde. Bij de hoorzitting waren ook de vader, tevens bewindvoerder en mentor van klager, <naam vader van klager>, de zus van klager, <naam zus van klager> en een agogisch medewerker van de afdeling, <naam agogisch medewerker>, aanwezig.

Het dictum van de uitspraak van de commissie is op 7 juli 2023 per brief en per e-mail aan partijen medegedeeld.

Ontvankelijkheid

De commissie oordeelt dat de klacht ontvankelijk is, op grond van art. 10.1 Wvggz jo. 10.3

sub f Wvggz en de klachtenregeling Wvggz van GGNet.

De klacht

De klacht richt zich tegen het besluit tot het verlenen van verplichte zorg door middel van depotmedicatie.

Klager stelt dat de medicatie gif is, hij krijgt nachtmerries van de medicatie. Klager is van mening dat gezonde voeding en prettig gezelschap een goed medicijn voor hem is waardoor zijn angsten afnemen. Daarnaast was de medicatie zorgvuldig afgebouwd en klager voelt zich zonder medicatie veel beter.

Het verweer

In het verweer is, zakelijk en verkort weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Klager is bekend met een autismespectrum stoornis (ASS) en een psychotische stoornis (psychotische kwetsbaarheid) en is al sinds 1998 bekend in de ggz. Sinds 2008 is klager onder behandeling bij GGNet. In de behandelgeschiedenis zijn meerdere gedwongen opnames en dwangbehandelingen aan de orde geweest. Daarnaast is klager bekend met medicatie ontrouw en ageren tegen medicatie.

In het verleden is gebleken dat anti-psychotische medicatie een stabiliserend effect hebben op klager. Er is meerdere keren geprobeerd om de medicatie af te bouwen, wat tot nu toe steeds weer  resulteerde dit in verslechtering van het toestandsbeeld (toename van angst en achterdocht) bij klager.

In de afgelopen maanden (2023) was klager steeds minder aanwezig binnen <naam afdeling>. Op verzoek van klager werd het depot weer afgebouwd. Klager was in de weken daarop minder in zicht door zwerfgedrag, waardoor signalen dat het niet goed met hem ging, werden gemist. Uiteindelijk kwam klager op 8 juni 2023 door een incident in <naam verblijfplaats> weer onder de aandacht, waarbij klager door de politie is aangehouden voor het verstoren van de openbare orde. Klager werd daarop opgenomen in <naam instelling> en is op 13 juni 2023 overgekomen naar <naam woonplaats>.

Uit navraag van politiegegevens bleek dat klager sinds maart al meerdere keren bij politie onder de aandacht was gekomen vanwege overlast. Uit contact met vader (tevens mentor en bewindvoerder van klager) bleek dat het toestandsbeeld van klager sinds het afbouwen van de depotmedicatie aan het verslechteren was. Klager zwierf rond en veroorzaakte op meerdere plekken (ook bij zijn ouders) overlast. Alles bij elkaar genomen, is voor verweerders duidelijk dat klager in delict gedrag vervalt zonder anti psychotische medicatie.

De uitspraken dat antipsychotica ‘vergif’ zou zijn, zijn een belangrijk en terugkerend thema bij klager en lijken met name sterk naar voren te komen als klager er slechter aan toe is. Verweerders hebben geprobeerd hierop door te vragen, maar dit leidde niet tot concrete antwoorden van klager.

Tot op heden is het verweerders niet gelukt om overeenstemming en samenwerking te bereiken over de medicamenteuze behandeling. Uit het verleden is gebleken dat depotmedicatie effectief is bij het stabiliseren van het toestandsbeeld. Hierdoor kan het ernstig nadeel (o.a. zelfverwaarlozing, oproepen van agressie door hinderlijk gedrag) worden afgewend en er zijn geen andere minder ingrijpende middelen voor handen om hetzelfde doel te bereiken. Orale medicatie is wat betreft verweerders geen optie, vanwege de therapie-ontrouw van klager. Verweerders zijn daarom van mening dat behandeling met depotmedicatie noodzakelijk is.

Standpunt vader

De vader van klager geeft aan dat dit patroon (van starten met medicatie en afbouwen) zich al jaren voordoet. Als klager zonder medicatie is, gaat hij zwerven, rondreizen in het OV. Hij schreeuwt dan wel eens, maar vader stelt dat klager dan geen gevaar is voor andere mensen. Vader ziet ook dat mensen het gedrag van klager heel verschillend interpreteren en soms groter maken dan het is. Het is heel persoonlijk hoe iemand gevaar of dreiging ziet.

Vader pleit daarom om -als klager weer terug is gekeerd- voorlopig geen medicatie toe te dienen en klager op een gesloten afdeling te houden met agogische en cognitieve therapie.

Standpunt zus

De zus van klager heeft door de jaren heen gezien dat er steeds weer geprobeerd is om klager met medicatie te behandelen. Klager gaat echter volledig in verweer, daar gaat dan al zijn energie naartoe en het veroorzaakt veel stress. De zus vraagt zich daarom af of- en hoe- er wordt gewerkt naar een gezamenlijk doel met klager en hoe er daadwerkelijk in contact met klager wordt getracht te komen. De zus is van mening dat medicatie geen duurzame behandeling voor klager is en hoopt dat er in gesprek wordt gegaan over alternatieve mogelijkheden.

Overwegingen en conclusies

De commissie komt, gelet op de stukken en het besprokene tijdens de hoorzitting, tot de volgende overwegingen en conclusies.

De commissie overweegt dat er door de rechter op 13 januari 2022 met betrekking tot klager een zorgmachtiging is afgegeven voor de duur van twee jaar, vanwege een psychiatrische stoornis (neurobiologische ontwikkelingsstoornissen en chronische psychose) en daar uit voortkomend risico op ernstig nadeel (onder andere ernstig psychische schade, oproepen van agressie van anderen). Op basis hiervan is behandeling van de psychische stoornis mogelijk, ook als klager daar niet vrijwillig aan mee wil werken en/of niet mee instemt.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat klager lijdt aan een psychische stoornis. De commissie heeft geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose. Klager heeft geen ziektebesef en ziekte inzicht en weigert pertinent behandeling met medicatie omdat hij dit als vergif ziet. Ook het kortstondig telefonisch contact tijdens de zitting leverde de commissie niet de overtuiging op dat contact en overleg (zonder medicatie) met klager tot dat besef en inzicht zou kunnen leiden.

De commissie is van oordeel dat verweerders in casu in redelijkheid hebben kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder een (gedwongen) opname én toediening van (anti psychotische) medicatie kon en kan worden afgewend. Verweerders hebben hierbij rekening gehouden met de voorgeschiedenis van klager en hebben volgens de bij deze diagnose behorende richtlijnen en de behandelstandaard gehandeld, passend bij het actuele ziektebeeld. De commissie constateert dat de keuze voor het soort medicatie en de dosering daarvan, zorginhoudelijk goed is onderbouwd door verweerders.

Hoewel klager dit niet zo ziet, is de verplichte zorg ingegeven om hem te beschermen tegen ernstig nadeel voor hem en/of anderen. De commissie overweegt verder dat zonder adequate behandeling met medicatie er voor klager een aanzienlijk risico op ernstig nadeel in de zin van art. 1:1 lid 2 en art. 8:9 lid 4 sub b Wvggz zal blijven bestaan. De commissie acht het besluit tot verplichte zorg met medicatie inhoudelijk juist en ook proportioneel, subsidiair en doelmatig. De klacht zal daarom ongegrond worden verklaard.

Oordeel

De commissie acht op grond van bovenstaande overwegingen de klacht ongegrond.

 

Op 6 juli 2023 vastgesteld door de commissie:

De heer mr. J. Blok, voorzitter;

De heer G.V.J. Thomas, psychiater;

De heer P.A. Arnold, algemeen lid.

Namens de commissie:

i.o.

Mw. M.T. Averesch-Wilbrink

ambtelijk secretaris

 

Verzonden d.d. 12 juli 2023

 

 

 

 

 

 

 

 

Tegen een uitspraak van de klachtencommissie kan op grond van art. 10:7 Wvggz beroep worden ingesteld bij de Rechtbank binnen zes weken na kennisneming van de uitspraak.