Gegronde klacht tegen het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken   

Betreft:          BESLISSING

Inzake:           de klacht van mevrouw A., gedateerd 21 maart 2024, bij de Klachtencommissie binnengekomen op 25 maart 2024, met nummer 2403-42

Datum:           8 april 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 8 april 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van mevrouw A. (hierna: klaagster) tegen B. (zorgaanbieder) (hierna: verweerder), met nummer 2403-42.

De klacht gaat over het nakomen van een verplichting of over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

Aanwezig

Klaagster: mevrouw A.;
bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp).

Zorgaanbieder: Kliniek D., onderdeel van B., vertegenwoordigd door de heer E. psychiater; F., psycholoog; en G., verpleegkundige in opleiding.

Stukken

De Klachtencommissie, hierna te noemen de Commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. de klacht, binnengekomen op 25 maart 2024;
  2. de reactie van verweerder, binnengekomen op 4 april 2024; 
  3. een aanvullende onderbouwing op de klacht, door klaagster ter zitting overhandigd
                aan de Commissie; en 
  4. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klaagster.

Samenvatting

De klacht houdt in dat klaagster zich niet kan vinden in het besluit tot het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten.

De Commissie komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is.

Het verzoek van klaagster tot vergoeding van haar schade wordt aangehouden. 

De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken staat voor de Commissie het volgende vast. 

Uit de overhandigde stukken blijkt dat klaagster lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline, paranoïde en antisociale kenmerken en een angststoornis NAO. Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Daarnaast meent klaagster te lijden aan een obsessieve compulsieve stoornis (OCS).

Bij beschikking van 23 oktober 2023 heeft de Rechtbank H. (hierna: de rechtbank) besloten voor klaagster een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. De zorgmachtiging voorziet onder andere in het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten.

Ten aanzien van de noodzaak van verplichte zorg heeft de rechtbank overwogen dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn.

Klaagster is sinds 2018 opgenomen in Kliniek D. (hierna: de kliniek).

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klaagster in de eerste week van april 2024 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging. Ter zitting heeft de zorgverantwoordelijke kenbaar gemaakt dat sprake was van een verschrijving in de datum van de schriftelijke kennisgeving van de beslissing. In de schriftelijke kennisgeving stond de datum van 27 oktober 2023, maar dit was de datum van de vorige schriftelijke kennisgeving. De vorige schriftelijke kennisgeving is overgenomen, op inhoudelijke punten aangepast, maar de datum is niet gewijzigd.

In de schriftelijke kennisgeving is het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, aangekruist als de aan haar te verlenen vorm van verplichte zorg. In de toelichting op deze vorm van verplichte zorg staat het uitvoeren van corveetaken beschreven.

De behandelaar komt in deze beslissing verder tot het oordeel dat klaagster wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die zij nodig heeft.  

De klacht en het standpunt van klaagster

Klaagster is het niet eens met het besluit tot het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten als vorm van verplichte zorg. Meer specifiek is klaagster aangezegd dat zij verplichte corveetaken moet uitvoeren. Klaagster stelt in haar klaagschrift en ter zitting dat het uitvoeren van verplichte roulerende corveetaken haar erg veel moeite kost en zij hier veel stress van krijgt. Zij legt hieraan ten grondslag dat haar OCS hiervoor te ernstig is. Daarnaast stelt klaagster dat zij al een jaar voornamelijk roulerende corveetaken uitvoert en haar klachten van de OCS sindsdien toegenomen zijn. Verder stelt klaagster dat zij erg onder druk wordt gezet om de roulerende corveetaken uit te voeren, omdat zij bij het niet of niet goed uitvoeren van de roulerende corveetaken naar haar kamer wordt gestuurd. Deze ´sanctie´ levert haar nog meer stress op. Aan klaagster wordt dan verteld dat dit ´werkweigering´ is. Zij vindt dit erg vervelend, omdat ze wel degelijk een corveetaak wil uitvoeren maar niet in de roulerende vorm.

Ter zitting is gebleken dat klaagster vooral moeite heeft met het in- en uitruimen van de vaatwasser. Dit moet vijf keer per dag gebeuren. Vanwege haar OCS en de grote hoeveelheid servies neemt dit veel tijd in beslag, waardoor ze weinig tot geen ruimte meer heeft voor zelfzorg. Ook moet deze taak staande gebeuren en dat is voor klaagster erg moeilijk vanwege haar OCS.

Klaagster heeft voorgesteld om een vaste corveetaak, waarvan ze zeker weet dat ze die kan uitvoeren, uit te voeren. Klaagster stelt voor om het vervangen van de waszakken en vuilniszakken op zich te nemen. In het verleden heeft klaagster al eens een vaste corveetaak gehad en dat ging goed, maar toch is toen weer overgegaan op een roulerend corveerooster.

Schadevergoeding

Klaagster wenst een schadevergoeding te ontvangen voor het besluit waarmee zij het niet eens is. Bij gegrondverklaring van de klacht zal zij dit verzoek om schadevergoeding met een nieuw document onderbouwen.

Het standpunt van verweerder

De behandelaar stelt in zijn verweer en ter zitting allereerst dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat klaagster lijdt aan OCS. Volgens de behandelaar lijdt klaagster aan een langdurige depressieve episode, met angstige stemming, die sinds enkele weken wordt behandeld met TCA Clomipramine. Vervolgens licht de behandelaar toe waarom de verplichte deelname aan het corveerooster een belangrijk onderdeel is van de behandeling van klaagster. De behandelaar stelt allereerst dat exposure (blootstelling) aan zaken die angst oproepen centraal staat in de behandeling van angstklachten. Vervolgens meent de behandelaar dat vermijding van deze zaken leidt tot een verergering van klachten, en mogelijk tot verdere vermijding van taken. Zo leidde een eerdere poging tot vaste corveetaken er niet toe dat klaagster de taken consequent op zich nam. Als laatste is inactiviteit een probleem bij klaagster. Toenemende inactiviteit verkleint de kans op een succesvolle behandeling en uiteindelijke uitstroom, aldus de behandelaar.

Ter zitting stelt de behandelaar dat insluiting bij het niet uitvoeren van de corveetaken alleen dan plaatsvindt wanneer (ook) sprake is van afdelingsontwrichtend gedrag. 

Overwegingen en oordeel

Klaagster stelt zich, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de Commissie begrijpt, op het standpunt dat het uitvoeren van roulerende corveetaken en het in- en uitruimen van de vaatwasser haar behandeling niet ten goede komt. 

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of een zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – kort samengevat – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens de tekst van de Wvggz, plaats te vinden op grond van een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

De Commissie stelt vast dat aan klaagster in de eerste week van april 2024 een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 8:9 lid 2 Wvggz is verstrekt waarin haar werd medegedeeld dat de zorgverantwoordelijke heeft besloten tot het verlenen van verplichte zorg. In de schriftelijke mededeling is – onder andere – het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, aangekruist als de aan klaagster te verlenen vorm van verplichte zorg. 

Ter zitting heeft klaagster gesteld dat zij sinds ongeveer een jaar roulerende corveetaken (met verzet) verricht. De behandelaar heeft dit niet betwist, met de opmerking dat deze taken vanaf oktober 2023 onderdeel werden van de behandeling van klaagster en daarmee verplicht werden aangezegd. De Commissie is daarmee van oordeel dat, nu vaststaat dat klaagster verplichte zorg heeft gekregen zonder dat daar een schriftelijke kennisgeving aan ten grondslag lag – en daarmee de formele vereisten voor het uitvoeren van verplichte zorg niet zijn toegepast – de klacht alleen al om die reden gegrond is.

Hoewel de Commissie gezien het bovenstaande niet meer toekomt aan een inhoudelijke (materiële) beoordeling van de klacht – omdat de klacht formeel gezien al gegrond is verklaard – zal de Commissie vanuit het perspectief van erkenning van klaagster toch ook enkele inhoudelijke overwegingen doen.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard is volgens de Commissie gebleken dat klaagster meent dat het uitvoeren van roulerende corveetaken, en het in- en uitruimen van de vaatwasser niet helpend is voor haar behandeling en dat het sindsdien minder goed met haar gaat vanwege de stress die het uitoefenen van deze taken met zich meebrengt. De behandelaar meent daarentegen dat deze taken een belangrijk onderdeel van de behandeling zijn, wegens het belang van exposure, om verdere vermijding te voorkomen en het (blijven) activeren van klaagster gezien haar persoonlijke toestand. Naar het oordeel van de Commissie heeft de behandelaar niet voldoende aannemelijk gemaakt wat de effectiviteit is van het blijven opdragen van bovengenoemde taken aan klaagster en welke minder belastende alternatieven voorhanden zijn. Een meer gedoseerde belasting van klaagster, waarbij functionele stress het uitgangspunt is, zou naar het oordeel van de Commissie beter op zijn plaats zijn, waarmee recht wordt gedaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiairiteit. De Commissie acht de klacht dan ook inhoudelijk gegrond.

Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat de klacht gegrond is. 

De beoordeling van het verzoek tot schadevergoeding 

Nu de klacht gegrond zal worden verklaard, zal de Commissie hebben te oordelen over het verzoek om aan klaagster een schadevergoeding toe te kennen. De behandeling hiervan zal worden aangehouden in afwachting van de ontvangst van de schriftelijke onderbouwing van dit verzoek door klaagster en de reactie van verweerder daarop.  

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart de klacht gegrond;
  • houdt de behandeling van het verzoek tot schadevergoeding aan en stelt klaagster in
                de gelegenheid een nadere onderbouwing te geven van de gestelde schade waarop
                de instelling mag reageren. 

 

Deze beslissing is op 9 april 2024 telefonisch aan betrokkenen meegedeeld.
De schriftelijke beslissing is op 22 april 2024 aan betrokkenen verzonden.
De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door mevrouw X., voorzitter, mevrouw X., lid psychiater en mevrouw X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door mevrouw X., ambtelijk-secretaris.

 

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.