Deels gegronde klacht over toedieningsvorm medicatie


Uitspraak

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken    

Betreft: BESLISSING

Inzake: de klacht van de heer A., ongedateerd, bij de 

Klachtencommissie binnengekomen op 21 december 2023, met nummer 

2312-158

Datum: 8 januari 2024

Inleiding

De Klachtencommissie is op 8 januari 2024 bijeengekomen ter behandeling van de klacht van de heer A. (hierna: klager) tegen B. (hierna: verweerder), met nummer 2312-158.

De klacht gaat over een beslissing op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). 

Aanwezig

Klager: de heer A.;

bijgestaan door: de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp).

Zorgaanbieder: D. (hierna: de kliniek), 

onderdeel van B., vertegenwoordigd door 

mevrouw E., psychiater; 

de heer F., arts; en 

G., verpleegkundige.

Stukken

De Klachtencommissie, hierna te noemen de Commissie, heeft bij de behandeling van de klacht de beschikking gehad over de volgende stukken:

  1. de klacht met bijlage, binnengekomen op 21 december 2023;
  2. de reactie van verweerder, binnengekomen op 4 januari 2024; en
  3. gegevens uit het medisch/verpleegkundig dossier van klager.

Samenvatting

De klacht houdt in dat klager zich niet kan vinden in het besluit tot verplichte toediening van (antipsychotische) medicatie (klachtonderdeel 1). Meer in het bijzonder is hij het niet eens met de dagelijkse toediening van twee injecties clozapine (klachtonderdeel 2).

De Commissie komt tot het oordeel dat het eerste klachtonderdeel ongegrond is en klager (antipsychotische) medicatie nodig heeft, maar dat de huidige toedieningsvorm van de medicatie niet langer voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het tweede klachtonderdeel is dus gegrond. Het verzoek van klager tot vergoeding van zijn schade wordt aangehouden.

De feiten en omstandigheden

Op grond van de stukken staat voor de Commissie het volgende vast. 

Bij beschikkingen van 6 januari 2023 en 20 december 2023 heeft de Rechtbank H. (hierna: de rechtbank) besloten voor klager een zorgmachtiging te verlenen, steeds voor de duur van twaalf maanden. De zorgmachtiging voorziet onder andere in het verplicht kunnen toedienen van medicatie aan klager en het verplicht opnemen in een accommodatie.

Ten aanzien van de noodzaak van verplichte zorg heeft de rechtbank in de laatste beschikking van 20 december 2023 overwogen (letterlijk overgenomen): 

Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. De psychiater heeft toegelicht in een impasse te zijn beland, omdat betrokkene in de thuissituatie meermaals is gestopt met zijn medicatie waarna hij psychotisch is geworden en diverse heropnames hebben plaatsgevonden. Ook is betrokkene het niet eens met het gebruik van clozapine waar hij in het verleden goed op heeft gefunctioneerd en staat hij niet open voor een ander medicijn of behandeling met ECT. Dit maakt het moeilijk om betrokkene te behandelen. Vanwege het feit dat er een verschil van inzicht bestaat over de behandeling en betrokkene twee ernstige suïcidepogingen heeft gedaan, acht de rechtbank verplichte zorg noodzakelijk. Ten aanzien van de wilsbekwaamheid overweegt de rechtbank dat in het onderhavige geval sprake is van acuut levensgevaar voor betrokkene waardoor niet aan deze beoordeling wordt toegekomen.”

Klager is sinds 2 augustus 2023 opgenomen in de kliniek. 

Overeenkomstig artikel 8:9 lid 2 Wvggz is klager op 9 augustus 2023 door de zorgverantwoordelijke schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg op grond van de toen geldende zorgmachtiging. In de schriftelijke kennisgeving is ‘het toedienen van medicatie’ aangekruist als de aan hem te verlenen vorm van verplichte zorg. 

De beslissing van 9 augustus 2023 vermeldt dat het verlenen van verplichte zorg noodzakelijk is, omdat klager is opgenomen in verband met een psychotische decompensatie. Hiervoor dient hij medicatie te krijgen, die hij weigert sinds zijn opname. De behandelaars hebben in overleg met het ambulante team besloten om te starten met verplichte medicatie.

De behandelaar komt in deze beslissing van 9 augustus 2023 verder tot het oordeel dat klager wilsonbekwaam is ter zake van het nemen van beslissingen over de zorg die hij nodig heeft.

De klacht

Klager verzet zich tegen de beslissing van de zorgaanbieder, naar aanleiding van de hierboven genoemde zorgmachtiging, om hem 

  1. verplicht (antipsychotische) medicatie toe te dienen;
  2. (in het bijzonder) clozapine toe te dienen door middel van twee injecties per dag.          

Schorsingsverzoek 

Klager heeft de Commissie verzocht de bestreden beslissing van de zorgaanbieder te schorsen. 

Naar het oordeel van de Commissie heeft de zorgaanbieder voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van de beslissing tot toediening van medicatie niet geschorst kan worden ter voorkoming van ernstig nadeel. De Commissie heeft dan ook geen aanleiding gezien het schorsingsverzoek in te willigen en heeft daarop in een aparte beslissing, gedateerd 22 december 2023, het schorsingsverzoek afgewezen.

Schadevergoeding

Klager wenst een schadevergoeding te ontvangen voor het besluit waarmee hij het niet eens is. Bij gegrondverklaring van de klacht zal hij dit verzoek om schadevergoeding met een nieuw document onderbouwen.

Het standpunt van klager

Klager heeft zowel in de bijlage bij zijn klaagschrift (“Vanuit mijn perspectief”) als ter zitting uitgelegd dat hij veel last van bijwerkingen heeft van de clozapine die hij krijgt toegediend. Hij heeft vanaf 2005 tot 2022 vrijwillig clozapine gebruikt, maar zegt dat het nu niet meer te doen is. Hij heeft onder meer last van overgewicht, hoge hartslag, een slechte conditie, problemen met het kortetermijngeheugen, maagproblemen, overgeven, borstvorming, en een continu gevoel van depressiviteit. In 2022 is hij gestopt met de vrijwillige inname van clozapine. Sindsdien is hij meerdere keren opgenomen geweest, en telkens krijgt hij verplicht clozapine. Tijdens de huidige opname, die nu al vijf maanden duurt, krijgt hij dagelijks twee clozapine-injecties, omdat hij vrijwillige orale inname weigert. Hij heeft daardoor ook nog veel last van pijn op de injectieplaatsen. Klager zegt er inmiddels ‘helemaal klaar mee te zijn’. Hij wil geen clozapine meer, en ook geen ander antipsychoticum. Hij wil weer aan het werk en heeft enkele dagen na de zitting bij de Commissie een re-integratiegesprek op zijn werk gepland staan. Hij zegt zonder clozapine beter te functioneren en dus zonder clozapine, of in ieder geval met een lagere clozapinespiegel, weer aan het werk te willen.

Klager is het niet eens met de door behandelaars gestelde diagnose ‘paranoïde schizofrenie’, in ieder geval niet met het paranoïde-deel daarvan. Hij is niet achterdochtig. Hij zegt wel een ‘rare’ beleving van gebeurtenissen te ervaren: alsof hij alles in herhaling meemaakt. Hij heeft dat al van jongs af aan, en heeft daar zelf geen last van. De behandelaars  noemen dat echter psychotisch. Voor hem is het een gevoel dat hij dingen al eerder heeft meegemaakt, een soort continue herbeleving of déjà vu. Hij heeft dit nooit als vervelend ervaren. 

Het standpunt van verweerder

De behandelaars hebben zowel in hun schriftelijke reactie op de klacht als ter zitting het volgende naar voren gebracht. 

Klager is in augustus 2023 gedwongen heropgenomen vanwege een psychotische decompensatie met verhoogde suïcidaliteit. Hij is sinds 2005 bekend met schizofrenie, waarvoor hij tot 2022 vrijwillig poliklinisch werd behandeld met clozapine in J.. In 2022 staakte klager eigenhandig zijn medicatie, waarna steeds langdurige opnames vanwege psychotische decompensatie volgden. De psychotische decompensatie uit zich in achterdocht en de angst om vermoord te worden, wanen (klager beleeft de tijd in cirkels waarbij hij gebeurtenissen telkens opnieuw beleeft), een religieuze waan (klager denkt Christus en onsterfelijk te zijn, en in staat te zijn gedachten en financiële markten te besturen), formele denkstoornissen (onder andere incoherentie en een niet te volgen redeneertrant), verdwenen ziektebesef en verhoogde suïcidaliteit. Dit laatste resulteerde tweemaal in een ernstige tentamen suïcide (in augustus 2022 en februari 2023). Een derde  tentamen suïcide werd volgens de behandelaars in april 2023 afgewend door een opname. Klager had voorafgaand aan de decompensatie een druk sociaal leven met een fulltime baan en diverse hobby’s, zoals tekenen en het maken van digitale muziek.

De behandelaars stellen dat zij nu met voortschrijdend inzicht denken dat klager niet meer volledig psychosevrij is geweest sinds juni 2022. Hij heeft sindsdien geen ziektebesef of ziekteinzicht getoond, ook niet over de periode dat hij vrijwillig poliklinisch werd behandeld in H. Klager is het oneens met de klinische opname en wil geen medicatie innemen. Na ieder (kortdurend) ontslag de afgelopen 19 maanden is hij tegen de afspraken in gestopt met de inname van clozapine, wat steeds tot verslechtering van zijn klinisch beeld leidde. Het ernstig nadeel bestaat daarbij uit acuut levensgevaar voor hemzelf door de verhoogde suïcidaliteit, en een groot risico op maatschappelijke teloorgang (onder meer een dreigend verlies van sociale contacten, baan en woning).  

Klager wordt – wegens eerder goed effect van clozapine – sinds medio augustus 2023 iedere avond geprikt met clozapine. Het doel van de huidige dwangbehandeling is het behandelen van het psychotisch toestandsbeeld, alsmede herstel van het ziektebesef. In december 2023 is de behandeling echter gestrand op technische uitvoerbaarheid, vanwege de vele spuitinfiltraten en het niet verder kunnen verhogen van de dosering van de injecties clozapine. In een klinische patiëntbespreking en na meerdere overleggen met diverse psychiaters is gekozen om de clozapine af te bouwen en een ander antipsychoticum toe te voegen. Klager ageert echter op dusdanige wijze tegen dit beleid dat een veilige uitvoerbaarheid niet mogelijk is. Hij wenst geen inname of depot van een antipsychoticum omdat hij dit naar eigen zeggen niet nodig heeft.

Klager heeft rond de jaren 2005-2007 diverse antipsychotica gebruikt voordat er door zijn toenmalig poliklinisch behandelaar is overgegaan op clozapine. Volgens klager zelf en de beschikbare documentatie zijn aripiprazol en risperidon gestopt wegens respectievelijk klachten van extrapiramidale symptomen en seksuele bijwerkingen. De clozapine bezorgde klager een gewichtstoename en hypercholesterolemie. Desondanks heeft klager vrijwillig het gebruik van clozapine al die jaren gecontinueerd, vanwege het goede effect. Klager besefte toen ook dat hij moest worden behandeld. In 2022 heeft klager tweemaal een paliperidondepot gekregen omdat hij herhaaldelijk smokkelde met de clozapine. Hij ervoer veel last van dit depot. Eind december 2022 wendde klager zich tot de crisisdienst en kort daarna vond een tentamen suïcide plaats, waarbij een ziekenhuisopname volgde. Vanwege het bovenstaande en het eerdere goede effect van de clozapine, terwijl ook tijdens de huidige opname een duidelijke verbetering van het klinisch beeld wordt gezien, kiezen de behandelaars voor een dwangbehandeling met clozapine. Om de intramusculaire injecties af te bouwen of te stoppen is een ander medicatiebeleid nodig. Klager weigert echter zowel orale inname van clozapine als ook inname van fluvoxamine dan wel additie van een ander antipsychoticum. Ook is klager het oneens met de observatie van de behandelaars dat zijn klinische toestandsbeeld is verbeterd onder de huidige dwangbehandeling met clozapine. De behandelaars constateren echter dat klager bij opname in april 2023 suïcidaal was, dat constructieve gesprekken door de formele denkstoornissen toen niet mogelijk waren en hij voortdurend psychotische uitspraken deed, terwijl hij nu zelfstandige vrijheden en meer sociale contacten heeft en is gestart met een re-integratietraject op zijn werk. Desondanks is klager volgens de behandelaars tot op heden psychotisch ontregeld en is verdere behandeling met clozapine (met eventueel additie van een ander antipsychoticum) geïndiceerd om ernstig nadeel af te wenden.

Overwegingen en oordeel

Uit de overgelegde stukken is volgens de Commissie gebleken dat klager lijdt aan een psychische stoornis. De Commissie heeft begrepen dat klager het niet eens is met deze diagnose. De Commissie heeft echter geen reden te twijfelen aan deze op medisch deskundig psychiatrisch onderzoek gebaseerde diagnose, die ook door een onafhankelijk psychiater in een recente medische verklaring tijdens de procedure tot voorbereiding van de zorgmachtiging nog is vastgesteld. 

Klager stelt zich, gelet op de ter zitting gegeven toelichting, voor zover van belang en naar de Commissie begrijpt, op het standpunt dat een behandeling met antipsychotische medicatie  niet nodig is. Meer in het bijzonder wil klager geen clozapine meer gebruiken vanwege de vele bijwerkingen die hij daarvan ervaart, en wil hij ook niet meer twee keer per dag injecties krijgen toegediend. 

Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn. Deze behandeling dient blijkens de tekst van de Wvggz, plaats te vinden op grond van een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke. 

De rechtbank heeft bij afgifte van de zorgmachtiging op 20 december 2023 al geoordeeld dat  sprake is van ernstig nadeel, te weten een aanzienlijk risico op levensgevaar of ernstig lichamelijk letsel gevaar voor klager zelf en op maatschappelijke teloorgang, indien geen verbetering in het toestandsbeeld van klager optreedt. Ter afwending van dit ernstig nadeel heeft klager volgens de rechtbank zorg nodig. Bij de beoordeling van de klacht moet de Commissie beoordelen of er voor de behandelaar voldoende gronden waren om tot uitvoering van verplichte zorg over te gaan. De Commissie komt dan tot het oordeel dat de zorgverantwoordelijke in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het ernstig nadeel niet zonder een behandeling met antipsychotische medicatie kon en kan worden afgewend en dat deze vorm van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. Zo is in het verleden al gezien dat een behandeling met clozapine-medicatie een goed effect heeft (gehad) op het toestandsbeeld van klager, en is het toestandsbeeld van klager ook tijdens zijn huidige opname met clozapine verbeterd. 

Het is voor de Commissie invoelbaar dat klager lijdt onder de huidige behandeling waarin hij dagelijks twee injecties krijgt toegediend. Hierom, en omdat het psychiatrisch toestandsbeeld van klager tijdens de opname in de kliniek inmiddels verbeterd is, is de huidige toedieningsvorm van de medicatie naar het oordeel van de Commissie niet langer proportioneel. Hierbij merkt de Commissie op dat zij van klager heeft begrepen dat hij last heeft van nare bijwerkingen van de medicatie, en van pijn van de dagelijkse injecties. Ook dit is invoelbaar voor de Commissie.

Het bovenstaande brengt de Commissie tot de volgende conclusie. De Commissie is van oordeel dat het eerste klachtonderdeel over het toedienen van (antipsychotische) medicatie ongegrond is. Volgens de Commissie weegt in dit geval het voordeel van deze medicatie, te weten het voorkomen van psychiatrische verslechtering met risico op bovengenoemd ernstig nadeel, zwaarder dan het door klager genoemde en ervaren nadeel. De huidige behandeling met twee injecties clozapine per dag is volgens de Commissie echter niet langer proportioneel, noch voldoet deze aan het subsidiariteitsbeginsel aangezien er voor klager minder bezwarende alternatieven voor behandeling zijn. Het tweede klachtonderdeel is daarom gegrond.      

De beoordeling van het verzoek tot schadevergoeding 

Nu de klacht deels gegrond zal worden verklaard, zal de Commissie hebben te oordelen over het verzoek om aan klager een schadevergoeding toe te kennen. De behandeling hiervan zal worden aangehouden in afwachting van de ontvangst van de schriftelijke onderbouwing van dit verzoek door klager en de reactie van verweerder daarop.  

Beslissing

De Commissie: 

  • verklaart klachtonderdeel 1) ongegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 2) gegrond;
  • houdt de behandeling van het verzoek tot schadevergoeding aan en stelt de klager in de gelegenheid een nadere onderbouwing te geven van de gestelde schade waarop de zorgaanbieder mag reageren. 

De schriftelijke beslissing is op 12 januari 2024 aan betrokkenen verzonden. 

De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door X., voorzitter, X., lid, psychiater en X., lid, voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door X., ambtelijk secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de beslissing voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.

 

Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken  

BESLISSING 

op het verzoek tot schadevergoeding met kenmerk 2312-158 S van

de heer A., 

thans verblijvende bij zorgaanbieder B.,

bijgestaan door de heer C., patiëntenvertrouwenspersoon (pvp). 

Als verweerder is aangemerkt: 

Zorgaanbieder B., vertegenwoordigd door mevrouw D., jurist. 

De procedure

Op 8 januari 2024 heeft de Klachtencommissie (hierna: de Commissie) een beslissing gegeven op de klacht van de heer A. van 21 december 2023, met kenmerk 2312-158. Voor het procesverloop tot aan die datum verwijst de Commissie naar die beslissing. De behandeling van het verzoek tot schadevergoeding heeft de Commissie aangehouden. 

Voor de aangehaalde stukken verwijst de Commissie naar de eerder genoemde beslissing van 8 januari 2023. Daarnaast heeft de Klachtencommissie kennisgenomen van de schriftelijke onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding van de heer C., (pvp), gedateerd 22 januari 2024, en de schriftelijke reactie daarop van mevrouw D., gedateerd 26 januari 2024. 

Samenvatting

Klager heeft een verzoek tot het vergoeden van schade ter hoogte van € 750,00 ingediend. De commissie wijst het verzoek tot schadevergoeding ten laste van B., gevestigd te E. toe en stelt de schadevergoeding vast op een bedrag van € 150,00. De Commissie wijst het meer of anders verzochte af. 

De feiten 

Voor de weergave van de feiten verwijst de Commissie naar de uitspraak van 8 januari 2024.

Het verzoek en het standpunt van klager

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 750,00 voor de schade die klager als gevolg van een normschending geleden heeft. Klager heeft namelijk in de periode van medio augustus 2023 tot 8 januari 2024 iedere dag twee injecties clozapine toegediend gekregen. De Commissie heeft hierover op 8 januari 2024 geoordeeld dat deze behandeling op een gegeven moment niet meer proportioneel en subsidiair was. Als gevolg van de behandeling heeft klager veel pijn ervaren op de injectieplaatsen. Hij zegt hierover (letterlijk weergegeven): 

“Ik wil als vergoeding graag fysiotherapie hebben om m’n benen weer soepel en sterk te krijgen en massages om te relaxen en de spanning uit m’n lichaam te halen. Ik schat dat ik zo een 5 fysio sessies nodig zal hebben en 10 massagesessies. Gemiddeld kost zo een sessie 50 euro. Dit maakt het dat zo een 15 sessies op een bedrag van 750€ komen. Dit zou ik graag vergoed zien worden. Wel sta ik open voor de mogelijkheid dat fysio intern via B. kan worden geboden en daarmee de kosten niet in geld hoeven worden uitbetaald. Dan blijft er dus een bedrag staan van €500,- Echter voor massage pak ik dit liever extern op omdat ik dit niet gepast acht om dit door (zorgaanbieder) B. medewerkers te laten uitvoeren.”

Het standpunt van verweerder

De instelling verzet zich tegen toewijzing van de gevraagde schadevergoeding. De instelling voert daartoe het volgende aan (letterlijk weergegeven): 

“B. kan de redenering van de commissie volgen dat het onwenselijk is om voor een relatief lange periode dwangbehandeling met intramusculair clozapine in te zetten. De

behandelaren van klager waren zelf ook reeds tot dit inzicht gekomen.

B. ziet echter geen grond voor een schadevergoeding. Ter toelichting het volgende.

Klager stelt dat hij pijn en last ondervindt van de injecties clozapine. Hij wenst graag een schadevergoeding in de vorm van fysiotherapie en massages te ontvangen. De vraag die in deze als eerste gesteld dient te worden is vanaf welk moment de injecties niet langer proportioneel waren. Ons inziens is dat niet vast te stellen. Temeer omdat voor clozapine geldt dat er nog tot 6 maanden na het bereiken van een therapeutische spiegel er een verbetering van symptomen kan worden vastgesteld. En daarmee ook de terugkeer van ziekte-inzicht, waar de behandelaren op hebben ingezet. Daarnaast is voor het afbouwen en/of het stoppen van intramusculaire injecties een ander medicatiebeleid nodig. Eind november/begin december 2023 heeft hiertoe onder meer een moreel beraad plaatsgevonden en hebben de behandelaren meerdere malen intercollegiaal gesproken en afgewogen op welke wijze er een andere koers kon worden ingezet. Er zijn klager alternatieven aangeboden, namelijk: orale inname van clozapine, dan wel de clozapine af te willen bouwen en te willen starten met het verstrekken van een alternatief antipsychoticum. Klager heeft de alternatieven echter in alle toonaarden geweigerd. Dat valt B. niet te verwijten.

Wellicht ten overvloede: indien gekozen wordt voor de overgang van de ene medicatie, naar de andere dan heeft dit eveneens tijd nodig en dienen de injecties met clozapine alsnog enige tijd verstrekt te worden naast de alternatieve medicatie. Daarbij wordt tevens opgemerkt dat bij het organiseren van een “second-best” alternatief mogelijk risico’s ontstaan indien die behandeling minder effectief gaat zijn. De uitkomst van dit alternatief is voor de behandelaren (nog) niet bekend. Ten tweede is de vraag of de gevorderde schade nog in causaal verband staat met de toegediende injecties. De gestelde schade is summier onderbouwd en gebaseerd op eigen inschattingen. Het is de behandelaren van B. dan ook niet bekend of klager reeds onder mbehandeling was bij een fysiotherapeut voor zijn lichamelijke klachten. Het is B. tevens niet bekend of fysiotherapie geïndiceerd is voor de gestelde klachten. Enige onderbouwing ontbreekt.

Ook is het B. niet duidelijk of klager vanuit zijn (aanvullende) zorgverzekering fysiotherapiebehandelingen krijgen vergoed. In dat geval komen de behandelingen überhaupt niet voor vergoeding in aanmerking.  Ten aanzien van de massages merkt B. tot slot nog het volgende op. Klager verzoekt om vergoeding van massages zodat hij kan relaxen en spanning uit zijn lichaam kan laten verdwijnen. Het is invoelbaar dat klager spanning ervaart/heeft ervaren door de gehele situatie. Echter geldt dit voor elke cliënt die in een verplicht traject terecht komt. Concluderend verzoekt B. uw commissie om het verzoek om schadevergoeding op grond van bovenstaande af te wijzen. Dit laat onverlet dat B. het betreurt dat klager zoveel pijn ervaart/heeft ervaren door de injecties. “

Overwegingen en oordeel

Op grond van artikel 10:11 Wvggz verzoekt klager de commissie hem een schadevergoeding toe te kennen als gevolg van een schending van artikel 3:3 van de Wvggz waarin (onder meer) is bepaald dat de uitvoering van verplichte zorg moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit (het verlenen van verplichte zorg is, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg, evenredig) en van subsidiariteit (er zijn voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect). De Commissie overweegt als volgt. 

Bij beslissing van 8 januari 2024 heeft de Commissie het klachtonderdeel over het toedienen van twee injecties clozapine per dag gegrond verklaard, omdat volgens de Commissie deze behandeling niet langer proportioneel was, noch aan het subsidiariteitsbeginsel voldeed. De nadelen van de behandeling met clozapine wogen immers niet op tegen de voordelen en er waren voor klager minder bezwarende alternatieven voor behandeling. 

De Commissie is van oordeel dat indien niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit bij het toepassen van verplichte zorg, en betrokkene stelt dat hij daarvan nadeel heeft ondervonden, hij, analoog aan de uitspraak van de Hoge Raad hieromtrent (HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, r.o. 4.4) recht heeft op een schadevergoeding naar billijkheid. In zodanig geval is immers aannemelijk dat betrokkene daarvan nadeel heeft ondervonden, in de vorm van spanning en frustratie. In dit geval heeft klager naar het oordeel van de Commissie bovendien zelf voldoende aannemelijk gemaakt dat hij last heeft van zijn benen en van pijn rond de vele injectieplekken als gevolg van de dagelijkse injecties.

De Commissie acht het voldoende aannemelijk dat klager als gevolg daarvan schade heeft geleden, bestaande uit pijn, spanning en frustratie. De Commissie is tevens van oordeel dat de schade van klager voor vergoeding in aanmerking komt, maar dat de schade die hij noemt en het bedrag dat hij daaraan verbindt, moeten worden afgewezen. Hiervoor overweegt de Commissie dat niet duidelijk is of fysiotherapeutische handelingen en massages zullen bijdragen aan het herstel van klager. De Commissie adviseert B. daarom een fysiotherapeutisch consult voor klager te bewerkstelligen, waarin beoordeeld zou moeten worden of fysiotherapeutische behandeling zinvol zou kunnen zijn voor klager. Klager zou dan fysiotherapie krijgen in het kader van de behandeling en niet in het kader van schadevergoeding of genoegdoening. Ten aanzien van de gevraagde massages merkt de Commissie op dat niet duidelijk is of deze zinvol dan wel schadelijk zouden kunnen zijn voor de problematiek van klager. Zij adviseert klager dan ook daarvoor eerst een deskundige te raadplegen. 

Verder overweegt de Commissie dat de behandelaars de bezwaren van klager tegen de dagelijkse injecties serieus hebben genomen en geprobeerd hebben alternatieven aan te dragen voor zowel de toedieningsvorm van de medicatie als voor de keuze van een bepaald antipsychoticum of bepaalde antipsychotica. De behandelaars dienden hierbij op grond van de Wvggz zowel bij hun keuze voor een bepaald antipsychoticum of combinatie van antipsychotische middelen, als bij hun keuze voor een bepaalde toedieningsvorm en -frequentie, zoveel als mogelijk rekening te houden met de wensen en voorkeuren van klager. Aangezien klager echter het gebruik van alle antipsychotica afwees, was het naar het oordeel van de Commissie voor de behandelaars moeilijk om aan deze bepaling uit de wet te voldoen. 

Alles overziend zal de Commissie een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekennen. Gelet op bovenstaande overwegingen acht de Commissie een vergoeding ten bedrage van € 150,00 redelijk en billijk. 

De beslissing

De Commissie: 

  • wijst het verzoek tot schadevergoeding ten laste van B., gevestigd te E., toe en stelt de schadevergoeding vast op een bedrag van € 150,00.
  • wijst af het meer of anders verzochte. 

De schriftelijke beslissing is op 1 februari 2024 aan betrokkenen verzonden. 

De geanonimiseerde beslissing zal worden gepubliceerd op wvggzklachten.nl

Deze beslissing is gegeven door X., voorzitter, X., lid psychiater en X., lid voorgedragen door de Cliëntenraad, bijgestaan door X., ambtelijk-secretaris.

Bent u het niet eens met deze beslissing? Dan kunt u uw bezwaren tegen de beslissing binnen zes weken na de datum van verzending van de oorspronkelijke beslissing (te weten 12 januari 2024) voorleggen aan de rechtbank. 

Let alleen wel: aan deze procedure bij de rechtbank zijn voor u kosten verbonden.