Wvggz art. 3:2 lid 2 sub b en j


Uitspraak

Uitspraak Klachtencommissie Cliënten GGZ Delfland

Inzake de klacht van
Mevrouw, klaagster

tegen
GGZ Delfland, gevestigd te Delft (verweerder)
ten deze vertegenwoordigd door:

Mevrouw, psychiater.
De klacht is, buiten aanwezigheid van partijen, behandeld tijdens een zoomzitting op 7 april 2023.
Klaagster had aangegeven niet bij de zitting aanwezig te willen zijn. Hierop heeft de commissie
verweerder laten weten in beginsel op basis van de stukken een beslissing te zullen nemen. Hiermee is
door verweerder ingestemd.

De klachtencommissie bestond uit:
de heer prof. mr. , voorzitter
de heer drs. , psychiater en
de heer , lid,

Ambtelijke ondersteuning werd verleend door mevrouw .

Stukken
– Klaagschrift, 28 maart 2023
– Schriftelijke reactie op het klaagschrift, ontvangen op 6 april 2023

Klaagster heeft toestemming verleend aan de klachtencommissie om haar medisch dossier in te zien,
indien en voor zover dat voor de beoordeling van de klacht relevant mocht worden geacht. Van deze
mogelijkheid heeft de klachtencommissie gebruik gemaakt. Ook heeft klaagster verweerder
toestemming verleend gebruik te maken van haar medische gegevens ten behoeve van het opstellen van een verweerschrift.

Klacht
Het klaagschrift d.d. 28 januari 2023, opgesteld namens klaagster door mevrouw I. Boelee, (pvp) betreft
de volgende twee klachten:
– Het uitvoeren van verplichte zorg waarvoor inmiddels geen grondslag meer was binnen de
lopende ZM. Bij de verplichte zorg ging het om beperking van de bewegingsvrijheid en opname in
de accommodatie van 1 tot 13 maart 2023
– Vanwege het ontbreken van een correcte juridische grondslag, zijnde een zorgmachtiging, vordert
klaagster een niet in een bedrag vastgelegde schadevergoeding.

Feiten
Klaagster is op 1 december 2022 opgenomen bij de zorgaanbieder op een gesloten afdeling, waar zij
beperkte bewegingsvrijheid had. Op 24 september 2022 was een zorgmachtiging afgegeven. Deze is
geldig tot 14 september 2023. In de zorgmachtiging is onder andere opgenomen dat gedurende een
periode van maximaal drie maanden per (her)opname er van twee vormen van verplichte zorg gebruik
mag worden gemaakt, namelijk het beperken van bewegingsvrijheid en de opname in een accommodatie.
De termijn voor het verlenen van verplichte zorg zoals opgenomen in de zorgmachtiging was op 1 maart
2023 verlopen. Vanaf 1 maart 2023 was klaagster opgenomen en werd zij beperkt in haar
bewegingsvrijheid zonder formele juridische basis voor de verplichte zorg.
Klaagster heeft de accommodatie tegen advies verlaten op 3 maart 2023 en is in de nacht van 6 op 7
maart 2023 door de politie teruggebracht en heropgenomen. Op 7 maart 2023 is er een aanvraag voor
het wijzigen van de zorgmachtiging ingediend.

De klacht nader toegelicht
Klaagster stelt dat een grondslag ontbrak voor het verlenen van verplichte zorg in de periode van 1
maart 2023 tot 13 maart 2023. Zij heeft zich verzet tegen deze verplichte zorg en benoemt dat zij ten
onrechte verplichte zorg heeft ontvangen. Zij verzoekt om die reden de schade te vergoeden die zij
heeft geleden.
Verweerder licht toe dat klaagster verplicht was opgenomen in Schiedam. Klaagster heeft geen ziekte
besef en ziekteinzicht en ziet hierdoor geen noodzaak voor het innemen van medicatie. Bij binnenkomst
vertoonde klaagster een katatoon beeld, wat uiteindelijk levensbedreigend kan worden als een patiënt
niet medicamenteus wordt behandeld. In de zorgmachtiging is de opname in een accommodatie alsmede
beperking van de bewegingsvrijheid als verplichte zorg in crisissituaties voor maximaal drie maanden per
(her)opname bepaald. Dit is een voor zorgverleners ongebruikelijke tijdsduur. Normaliter geldt een
periode van 6 maanden of 1 jaar en krijgt de behandelaar tijdig een herinnering voor het aanvragen van
een verlenging. Dat laatste is niet gebeurd en helaas heeft verweerder zelf zich onvoldoende tijdig
gerealiseerd, dat een aanvraag voor verlenging moest worden gedaan in aanmerking genomen de
gezondheidstoestand van klaagster. Toen eenmaal bekend was dat de zorgmachtiging niet toereikend
was in de huidige situatie is de wijziging direct aangevraagd, op 7 maart 2023, nadat zij door de politie
was teruggebracht. Bij terugkomst was wederom sprake van een toename van katatonie mede als gevolg
van het feit, dat klaagster gedurende de periode van afwezigheid geen medicatie had ingenomen.

Beoordeling

Op grond van artikel 8:9 Wvggz kan de zorgverantwoordelijke, voor zover dit ter afwending van een uit
een psychische stoornis voortvloeiend ernstig nadeel noodzakelijk is, als uiterst middel beslissen tot het
verlenen van verplichte zorg, zoals opgenomen in een crisismaatregel of zorgmachtiging.
Alvorens over te gaan tot toepassing van verplichte zorg zal de zorgverantwoordelijke nagaan of er wordt
voldaan aan een aantal zorgvuldigheidseisen genoemd in artikel 8:9 van de wet. Daarnaast behoort ieder
besluit tot verplichte zorg te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit, effectiviteit, subsidiariteit en
veiligheid.
Uitgaande van het klaagschrift, de schriftelijke reactie op de klacht, en de relevante informatie uit het
medisch dossier, overweegt de klachtencommissie, met inachtneming van de Wet Verplichte Geestelijke
Gezondheidszorg (Wvggz) als volgt.
Mevrouw is op 1 december 2022 bij verweerder op een gesloten afdeling opgenomen, met een
zorgmachtiging. De beslissing verplichte zorg van 1 december 2023 omschrijft, in overeenstemming met
de zorgmachtiging, een maximale duur van 2-3 maanden voor het verlenen van de verplichte zorg.

Zodoende eindigde deze periode op 1 maart 2023. Op 13 maart 2023 is een wijziging van de
zorgmachtiging aangevraagd.
Mevrouw verlaat de instelling op 3 maart 2023 en blijft enkele dagen afwezig. Op 7 maart 2023 wordt
zij door de politie in de nacht aangetroffen en weer teruggebracht naar de instelling.
De verplichte zorg in de periode van 1 maart 2023 tot en met 13 maart 2023, waarover is geklaagd,
was niet in de zorgmachtiging opgenomen en mist derhalve een wettelijke grondslag. In de periode
van 3 maart tot 7 maart 2023 is mevrouw tegen advies afwezig geweest, ongeoorloofd en in ieder
geval ongewenst gezien de toestand van klaagster volgens de beoordeling van verweerder.
De rechtbank heeft in de zorgmachtiging bepaald dat verplichte zorg nodig is om het ernstige nadeel
dat haar stoornis veroorzaakt, af te wenden. Zo ook verplichte zorg in de vorm van opname en
beperking van de bewegingsvrijheid. Echter de duur van de genoemde termijn in de zorgmachtiging
werd overschreden. Zodoende was er geen wettelijke grondslag om tot toepassing van deze
verplichte zorg over te gaan – ondanks dat naderhand bleek dat is voldaan aan de criteria en
zorgvuldigheidseisen die de Wvggz stelt. De heropname op 7 maart jl., bevestigt de noodzaak tot het
verlenen van zorg.

Op 7 maart 2023 is er een nieuwe beslissing verplichte zorg genomen en op deze dag is mevrouw
beoordeeld en de situatie met haar besproken. Dit geschiedde onder de misvatting dat de verplichte
zorg was opgenomen in de zorgmachtiging hetgeen niet het geval bleek te zijn. Dit werd erkend en op
13 maart 2023 werd de ZM gewijzigd en hierover is klaagster ingelicht, waarop zij contact heeft
gezocht met de pvp. Tot die datum was het mevrouw niet bekend dat zij kennelijk zonder geldige
grondslag in de instelling verbleef.

Of en welke schade klaagster als gevolg van het tijdelijk ontbreken van een juridische basis voor de
beperkingen, die haar werden opgelegd heeft geleden staat niet vast en is ook door klaagster niet
aangetoond. Vast staat naar het oordeel van de klachtencommissie dat er alle reden was , ondanks
het tijdelijk ontbreken van een juridische basis voor het opleggen van beperkingen, dat verweerder
gedurende de hele looptijd van de opname de keuze voor het opleggen van beperkingen heeft
gemaakt in het belang van klaagster.

Vast staat daarnaast, dat klaagster zich 3 dagen van 3 maart tot 7 maart buiten de instelling heeft
opgehouden alvorens zij door de politie werd teruggebracht.
Echter het enkele feit dat de wet niet in acht is genomen, rechtvaardigt een zekere compenserende
genoegdoening. De klachtencommissie is van oordeel, dat de juridische (vorm)vereisten niet slechts
een administratief en bureaucratisch ritueel zijn, maar ervoor bedoeld zijn de patiënt maximale
rechtsbescherming te bieden. De commissie neemt hierbij in overweging dat de zorgmachtiging zodra
de juridische omissie aan verweerder gebleken was, deze omissie op grond van zijn medisch oordeel
zo snel mogelijk heeft hersteld.
Alles afwegende komt de klachtencommissie tot het volgende oordeel
De beslissing
De klacht van mevrouw is gedeeltelijk gegrond voorzover dit het niet tijdig in orde maken van het jurisch
kader voor de periode van 1 maart tot 13 maart betreft.
Los van het feit, dat klaagster zich in die periode een aantal dagen aan toezicht en zorgt heeft onttrokken,
acht de klachtencommissie een vergoeding op zijn plaats.
4
De schadevergoeding
De klachtencommissie bepaalt, dat de zorgaanbieder aan klaagster een schadevergoeding dient te
betalen en stelt deze vast op een bedrag van 200 euro. Vast staat, dat van 1 tot 13 maart een
correcte grondslag voor de vrijheidsbeperkende maatregelen ontbrak. Vast staat tevens dat dit zowel
klaagster als verweerster was ontgaan. Vervolgens constateert de klachtencommissie dat klaagster
met de kennis van het moment ten onrechte een aantal dagen buiten de instelling heeft verbleven
alvorens door de politie te worden teruggebracht. Na terugkeer heeft verweerder op grond van een
medisch oordeel er zorg voor gedragen, dat de zorgmachtiging werd bekrachtigd. De
klachtencommissie is dan ook van oordeel, dat de geboden zorg met en zonder zorgmachtiging zeer
noodzakelijk was en in het belang van klaagster. Op zich heeft klaagster op geen enkele wijze
aangetoond dat er schade is geleden. Toch weegt voor de klachtencommissie het feit, dat niet tijdig
zorg is gedragen voor het aanvragen van een verlenging van de zorgmachtiging zodanig zwaar dat zij
heeft besloten dat de instelling een schadevergoeding dient te betalen en geeft daarmee aan hoe
belangrijk zij de naleving van de geldende regels acht. De instelling dient dat uit te stralen naar
medewerkers en cliënten, vooral omdat de regels de basis voor een veilige omgeving voor alle
betrokkenen vormen.

Alles overwegende acht de klachtencommissie het billijk, dat de instelling een bedrag van € 200 aan
klaagster voldoet.

Voorzitter

Secretaris

Deze beslissing is op 13 april 2023 aan betrokkenen medegedeeld. Deze beslissing is op 12 april 2023 op
schrift aan betrokkenen toegestuurd.